DE MEESTER VAN ALKMAAR
   
















































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































 


 

TUSSEN LATWERK
EN GIPS

ARCHITECT THEO MOLKENBOER
EN DE R.K. KERK VAN OVERVEEN
 


 
 

ELS HANSEN

DOCTORAALSCRIPTIE
RIJKSUNIVERSITEIT
LEIDEN

1984
 
 


 
 

De waterstaatstijl was Jan Salie in
gipsverband, maar tegelijk in klassieke
verkleding. Het was achter de vormen
gezien, de paap, die nog voor zijn eigen
optreden terugschrok.

G. Brom














INHOUD

VERANTWOORDING
1     VAN MISSIE TOT BISDOM
2     DE KERKELIJKE BOUWKUNST IN DE 19DE EEUW
3     DE BOUWGESCHIEDENIS VAN DE KERK VAN OVERVEEN
4     BESCHRIJVING DE KERK VAN OVERVEEN
5     THEO MOLKENBOER EN ZIJN OEUVRE
6     SLOTBESCHOUWING
NOTEN
BIBLIOGRAFIE
AFBEELDINGEN
VERANTWOORDING VAN DE AFBEELDINGEN
APPENDIX
 

VERANTWOORDING

Enige jaren geleden bracht ik een bezoek aan de rooms-katholieke kerk van Overveen, die kort nadien haar 125-jarig bestaan zou vieren. Het gebouw, dat ondanks doch ongetwijfeld ook dank zij verschillende restauraties, waarvan de meest recente in 1970 plaatsvond, haar oorspronkelijke karakter nagenoeg ongeschonden heeft weten te bewaren, maakte het idee in mij levend een studie aan deze kerk te wijden. Bij het bestuderen van de kerk en de archiefstukken van de parochie ontwaakte vanzelfsprekend al snel nieuwsgierigheid naar de persoon van de ontwerper, de architect Theo Molkenboer (1796-1863). Het parochiearchief bleek verschillende documenten uit de bouwtijd te bevatten, zoals het memoriaelregister, een boek waarin de pastoors het wel en wee van de parochie optekenen, enige correspondentie tussen architect en kerkbestuur en verder diverse afbeeldingen. Aangezien echter documentatie over Theo Molkenboer zelf ontbrak, richtte mijn aandacht zich op de literatuur over de periode waarin hij werkzaam was. Het bleek echter dat deze naspeuringen weinig over de man achter het werk opleverden.
Aangezien Joseph A. Alberdingk Thijm (1820-1889), die als publicist een der voornaamste voorvechters van de culturele emancipatie van de katholieken was, in 1855, dus nog acht jaren voor de dood van Theo Molkenboer, vermeldde dat de Leidse architect maar liefst zo’n zeventig kerken op zijn conto had staan, leek mij vervolgens de aangewezen weg om deze kerken te gaan bezoeken. Of dit aantal van zeventig kerken, dat overigens ook door een andere bron wordt vermeld, correct is, valt thans moeilijk meer na te gaan. In het werk van de in deze studie meermalen aangehaalde Kalf, Brom en Rosenberg konden ruim dertig kerken en enige seminaries worden achterhaald.
Ik besloot dus om deze kerken, voor zover ze er nog stonden, en de bijbehorende parochiearchieven te gaan bezoeken. Aldus ving een speurtocht aan die mij langs vele parochies in het land zou voeren. Na de pastoors per brief verwittigd te hebben dat ik eraan kwam, toog ik gewapend met camera en schrijfgerei naar de pastorieën. Van elke kerk werden foto’s gemaakt of afbeeldingen gecopieerd, indien het gebouw inmiddels was gesloopt. Daarnaast werd natuurlijk het archief bestudeerd.
Hoewel de ontvangst vaak allerhartelijkst was, bleek de belangstelling voor de historie van sterk wisselende intensiteit. De ene pastoor kreeg hoofdpijn van het lezen van oude stukken, een ander zei dat zijn parochianen hem dierbaarder waren dan die oude troep, een enkeling liet me er zelfs niet in, waarna ik via slinkse wegen toch toegang tot het archief moest krijgen, doch er waren er beslist ook verschillende met historische belangstelling en grote kennis van zaken. De archieven zelf werden overigens bepaald niet altijd even zorgvuldig bewaard. Soms trof ik ze aan op vochtige zolders en af en toe bleek het memoriaelregister uitgeleend en nooit meer teruggebracht. Meer dan eens heb ik trieste verhalen over stukken van het archief moeten aanhoren. Het zou zeker zinvol zijn te overwegen de archiefstukken, ten minste die uit de vorige eeuw of soms nog oudere, onder te brengen in een beter geoutilleerd centraal kerkelijk archief.
Tijdens mijn tocht langs de kerken was ik in de gelegenheid kennis te maken met een dwarsdoorsnede van katholiek Nederland, van conservatief tot progressief. Verder trof ik, zoals gezegd, vele kerken niet meer aan, aangezien ze inmiddels waren afgebroken of een ander, niet-religieuze bestemming hadden gekregen, zoals een tapijthal, brandweerkazerne of architectenbureau.
De informatie over de architect Molkenboer bleek echter steeds tamelijk teleurstellend. Vrijwel onveranderlijk was de financiering van de bouw het alles overheersende thema in de archiefstukken. Bijna nergens gaf men aan hoe tot de keuze van bouwstijl en architect was gekomen.
De bestudering van de parochiale archieven leverde echter ook wel eens een tot dan toe onbekende kerk van Molkenboer op. Zo bleek in ’t Zand dat hij ook in Volendam had gebouwd en in Lutjebroek dat hij werkzaam moest zijn geweest in Zwolle. Verder hoorde ik in de pastorie van Warmond dat de uitbreiding van het seminarie en de kapel aldaar ook van de hand van Molkenboer waren.
Het was verder het tijdschrift De Godsdienstvriend dat mij attendeerde op de kerken van Poeldijk en Oud-Ade en een recente studie van Van der Fluit op die van Den Burg (Texel), ’t Veld en Lutjebroek.
Verdere studie in bronnenmateriaal van de Bijdragen voor de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem bracht aan het licht dat Molkenboer in 1843 tot voorzitter van een kerkelijke bouwcommissie werd benoemd, waardoor hij een flinke vinger in de pap kreeg bij de bouw van nieuwe kerken en pastorieën. Zo zullen we hem verschillende malen als adviseur van de Aartspriester van Holland, Zeeland en West-Friesland zien optreden.
In het archief van het Ministerie van Eredienst, dat in het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage is ondergebracht in de collectie van H. Bonder, trof ik tekeningen aan van de kerk van Overveen. Deze bouwtekeningen, hoewel niet de originele, zijn nagetekend en opgenomen in het appendix van deze studie.
In het gemeentearchief van Leiden heb ik verschillende genealogische gegevens van Molkenboer kunnen achterhalen, alsmede zijn vermelding op een ledenlijst van het genootschap Mathesis Scientiarum Genitrix. Aangezien op een gegeven moment het plan rees om aan de studie een fotoregister van alle kerken van Molkenboer toe te voegen, besloot ik de pastoors van die kerken in Noord- en Zuid-Holland, waarvan Kalf de architect niet noemt, aan te schrijven. Slechts éénmaal leverde dit iets op, te weten de kerk van Wognum. Verder is gebleken dat vier kerken die Kalf en Rosenberg aan Theo Molkenboer toeschrijven niet van zijn hand zijn, doch van die van zijn zoon. Verder is mij gebleken dat de kerk van de H.H. Petrus en Paulus in Soest zeker niet van de hand van Molkenboer is geweest, doch ontworpen door J.J. van Langelaar. In Kalf wordt namelijk de mogelijkheid opengelaten dat Molkenboer deze kerk zou hebben ontworpen. Overigens zijn voor alle duidelijkheid de vier genoemde kerken van zijn zoon ook afgebeeld, aangezien zij een beeld geven van de continuïteit van zijn denkbeelden. Het blijft intussen jammer dat van Theo Molkenboer zo weinig over zijn persoon is achterhaald. We hebben, ondanks vele naspeuringen, niet eens een portret van hem kunnen vinden. We zijn wel dankbaar voor de stamboom die we van een zijner familieleden hebben mogen ontvangen en welke ook in het appendix is opgenomen.
Het resultaat van het onderzoek is ten slotte een scriptie geworden over het kerkelijke oeuvre van Theo Molkenboer, dé architect van de katholieken in de jaren rond het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de kerk van Overveen.
In het eerste hoofdstuk wordt de geschiedenis van katholiek Nederland in de 18de en 19de eeuw geschetst, alsmede die van de statie Overveen. In het tweede hoofdstuk worden de hoofdlijnen aangegeven van de kerkelijke architectuur van de 19de eeuw.
Het derde en vierde hoofdstuk zijn gewijd aan de bouwgeschiedenis en de beschrijving van de kerk van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen in Overveen.
In het vijfde hoofdstuk wordt het gehele kerkelijke oeuvre van Theo Molkenboer besproken en in het zesde hoofdstuk volgt dan een kritische beschouwing van de architect en zijn werk.
Naast afbeeldingen van de kerk van Overveen is een zeer omvangrijk fotoregister van alle mij bekende, door Theo Molkenboer ontworpen kerkelijke gebouwen opgenomen, benevens enige relevante gegevens omtrent de bouw en de huidige staat van de gebouwen.
Ten slotte is ook een notenapparaat, een bibliografie alsmede een appendix opgenomen. In deze appendix is ook een tijdtafel opgenomen van alle door Molkenboer ontworpen kerken. Tevens bevat deze appendix een bijlage met een beschrijving van de inventaris van der kerk van Overveen.
Ik ben zeer erkentelijk voor de steun die ik tijdens mijn studie van vele zijden heb mogen ondervinden. Aangezien ik bij het noemen van enige van hun namen er vele anderen mee tekort zou doen, lijkt het mij beter een ieder onvermeld te laten.


 
 
 
 

Lisse, juli 1984
 
 

OPMERKING VOORAF
De nummers in de tekst verwijzen naar de noten. Naar afbeeldingen wordt verwezen door een nummer voorafgegaan door een A, naar bijlagen in het appendix door een nummer voorafgegaan door Bijl. Deze beide laatste aanduidingen zijn vermeld in de marges.
 

 1.    VAN MISSIE TOT BISDOM

Toen op 23 januari 1579 door de Unie van Utrecht de grondslag werd gelegd voor de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was het overgrote deel van haar bevolking nog rooms-katholiek. Zelfs bij de dood van Willem van Oranje in 1584 was nog nauwelijks een tiende deel van de bevolking lidmaat van de Hervormde Kerk . Hoewel de calvinisten dus een kleine minderheid vormden, deelden zij toch op alle terreinen de lakens uit. Van een echte geloofsvervolging zoals ten tijde van de Spaanse overheersing in de Nederlanden en zoals in de ons omringende landen is echter in ons land geen sprake meer geweest. Dit betekende niet dat de katholieken in het uitoefenen van hun godsdienst niet aanzienlijk werden beknot. In principe was de religie vrij en heerste er gewetensvrijheid, doch de hervormde godsdienst was en bleef de algemene en erkende staatsgodsdienst. In maatschappelijk opzicht werden de katholieken tweederangs burgers, voor wie openbare ambten nagenoeg ontoegankelijk waren. De organisatie van de katholieke zielzorg werd aldus een clandestiene. Beroofd van al hun kerken moesten zij hun toevlucht nemen tot het gebruik van schuilkerkjes die in geen enkel opzicht op een echt godshuis mochten gelijken. Dat de katholieke godsdienstbeoefening niet volledig ondergronds werd gedwongen, was te danken aan de lankmoedige houding van de overheden, al was eigenbelang hieraan bepaald niet vreemd. Met tamelijk willekeurig toegepaste afkoopsommen  konden de katholieken de locale overheden veelal bewegen een oogje toe te knijpen. Door de overgang van vele katholieken tot het calvinisme en ook door de stroom van uitgeweken protestanten  naar ons land, valt het te verklaren dat het protestantisme steeds meer veld won. Zo maakten bij het eind van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 de katholieken nog nauwelijks 50% van de bevolking uit.
Intussen was de bestuurlijke organisatie van de katholieke kerk in de Nederlanden geheel uiteen gevallen. Het was de Delftse priester Sasbout Vosmeer  die vanuit Keulen de katholieke missie in ons land weer enige structuur gaf. In 1592 werd hij de eerste apostolisch vicaris . Na vele wederwaardigheden werd na 1727 de nuntius te Brussel belast met het bestuur van de Hollandse Zending. Deze pauselijke gezanten waren Italianen en het was hun niet toegestaan het gebied van de Republiek te betreden. Op hun beurt stonden zij weer onder leiding van de in 1622 opgerichte Congregatio de Propaganda Fide .
Het gebied van de Hollandse Zending was verdeeld in zeven Aartspriesterschappen, elk met een Aartspriester aan het hoofd. Deze tamelijk op zichzelf staande Aartspriesterschappen bestonden dan weer uit verschillende staties. De organisatiestructuur van bisdommen was in de Generaliteitslanden  wel blijven voortbestaan. Voor de opleiding van priesters voor de Hollandse Zending was men aangewezen op het buitenland .
Redelijkheid en verdraagzaamheid slepen in de loop van de 18de eeuw de scherpste kanten van het systeem van dulding van de katholieke godsdienst . Wetten werden verzacht of niet meer toegepast, waardoor het klimaat milder werd. De katholieken mochten op enige verbeteringen van hun positie binnen het bestaande stelsel hopen.
En toen kwamen de Fransen. In 1795 kwam een eind aan het bestaan van de Republiek. De Fransen, die in eigen land de rooms-katholieke kerk aan banden legden en zelfs bestreden, brachten in de Bataafse Republiek aan dezelfde kerk de vrijheid en gelijke rechten.
In de Proclamatie van 5 augustus 1796 kreeg de wettelijke vrijheid van godsdienst haar eerste beslag. Een belangrijk artikel bepaalde dat er voortaan geen heersende kerk meer zou zijn. Bij de scheiding van kerk en staat in de Constitutie van 1798 traden vooral twee kwesties op de voorgrond: 1. de staat zou de bezoldiging van de predikanten staken, 2. het beheer van de kerkelijke goederen, i.z. de kerken die de katholieken in de loop der tijden aan de calvinisten hadden moeten afstaan.
Met betrekking tot deze laatste kwestie werd bepaald dat het plaatselijk bewind de kerkgebouwen opnieuw zou verdelen op basis van de getalsverhoudingen der leden van de verschillende kerken. Van de uitvoering van deze bepaling kwam echter weinig of niets terecht, enerzijds door stelselmatige oppositie van de zijde van de protestanten, anderzijds door de hoge kosten die aan de overname van een kerkgebouw waren verbonden. Deze kosten waren een gevolg van de bepaling dat bij overname een schadeloosstelling moest worden betaald en verder ook van de dikwijls noodzakelijke restauratie van de over te nemen gebouwen. De vertragingstactiek van de protestanten bleek succesvol want in de Staatsregeling van 1801 werd bepaald dat ieder kerkgenootschap in het bezit zou blijven van hetgeen het op 1 januari van dat jaar in bezit had. Hoewel er nadien door toedoen van koning Lodewijk Napoleon nog enige kerken zijn gerestitueerd, zouden de katholieken toch voornamelijk zijn aangewezen op de nieuwbouw van kerken. In totaal zijn ongeveer 170 kerken aan de katholieken teruggeven, waarvan het merendeel in Brabant .
Reeds in februari 1795 overigens vroeg en kreeg de pastoor van de Amsterdams schuilkerk De Duif toestemming van het stadsbestuur om een echte kerk te bouwen . Zo verrees in 1796 sedert lange tijd weer een nieuwe rooms-katholieke kerk in ons land. In 1857 zou deze kerk worden vervangen door de neobarokke schepping van Molkenboer. In 1808 werd een departement voor de Eredienst van alle gezindten opgericht, waarna vervolgens in 1815 een apart departement voor de zaken van de rooms-katholieke eredienst ontstond.
Toen in 1814 koning Willem I de troon besteeg waren Nederland en België herenigd en behoorde driekwart van de toenmalige bevolking tot de katholieke kerk. De kerkelijke organisatie echter bleef nog tamelijk versplinterd: in het zuiden des lands vicariaten, in het noorden nog steeds de Aartspriesterschappen waarover de nuntius het bestuur voerde. Sedert de Franse tijd was de nuntius in Den Haag gevestigd. Deze situatie die wat betreft het zuiden een katholieke vorst veronderstelde, met name voor de benoemingen van de bisschoppen, was aanleiding tot langdurig touwtrekken en onderhandelen waaraan voorlopig een einde leek te komen met het Concordaat van september 1827 .
Het bisdom Den Bosch zou bevatten de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Gelderland, terwijl het bisdom Amsterdam de rest van de noordelijke provincies zou omvatten. De uitvoering echter stuitte op grote weerstand bij de protestanten en de kwestie bleef daarom slepende, vooral toen in 1830 de Belgische Opstand uitbrak. Ondanks de oppositie kwam de regering echter aan de katholieken tegemoet door de Warmondse professor C.L. baron van Wijkerslooth , die in 1833 te Munster tot bisschop van Curium i.p.i.  was gewijd, toestemming te verlenen tot het toedienen van de kerkelijke wijdingen. Als de “wijbisschop van Nederland” heeft hij talrijke kerken geconsacreerd en uiteindelijk ook zes bisschoppen gewijd.
Ook onder koning Willem II, die in 1840 de troon besteeg, bleef de kwestie van het Concordaat onopgelost. Onderhandelingen met Rome resulteerden in 1841 in een voorlopig compromis. Men zou het Concordaat de eerste tijd laten rusten, doch de Apostolisch Vicarissen in het zuiden des lands zouden tot bisschop worden gewijd. Zo kregen de vicariaten Breda, Den Bosch en Roermond hun bisschop maar bleef het noorden nog missiegebied . Een volgende mijlpaal werd bereikt toen in 1842 bij Koninklijk Besluit werd bepaald dat het departement voor de zaken van de rooms-katholieke eredienst tot ministerie zou worden verheven. In 1844 werd mr. J.B. van Son als de eerste katholieke minister belast met dit ministerie. Gedurende de veertiger jaren woedde een fervente strijd om het recht van placet . Deze strijd werd uiteindelijk in het 1848 beslecht toen het placet grondwettelijk onmogelijk werd.
In 1849 ging het koningschap over in handen van Willem III en werd de liberaal J.R. Thorbecke hoofd van de regering. Thorbecke wenste de scheiding tussen kerk en staat zo ver mogelijk door te voeren. Onder zijn regering werden de belangen van de rooms-katholieke eredienst opgedragen aan de katholieke minister van Buitenlandse Zaken mr. H. van Sonsbeeck.
Het verlangen naar een bisschoppelijk bestuur werd echter onder de katholieken met het jaar sterker. In de nu volgende jaren werden steeds weer verschillende plannen gesmeed voor een herziening van de kerkelijke organisatie in ons land. De bisschoppen in het zuiden en de toenmalige internuntius Mgr. C. Belgrado lieten zich hierbij bepaald niet onbetuigd. Het aantal bisdommen en de locatie van het aartsbisdom vormden echter keer op keer een groot struikelblok. Te Rome arriveerden in deze jaren talloze voorstellen, zoals o.a. een Memorie van J.A. Alberdingk Thijm, waarin deze op historische gronden aantoonde dat niet een vaststelling doch een herstelling der hiërarchie wenselijk werd geoordeeld. Hij pleitte vurig voor Utrecht, als de zetel van St. Willibrordus, alsook voor Haarlem . Uiteindelijk werd de langverwachte Breve van paus Pius IX, “ex qua die arcano” 4 maart 1853, ook in deze geest opgesteld. De Nederlandse kerkprovincie zou vijf bisdommen tellen: Utrecht, Haarlem, Den Bosch, Breda en Roermond, terwijl Utrecht de zetel van het aartsbisdom zou worden. De golf van protesten die hierop volgden en die bekend staat onder de naam van de Aprilbeweging, resulteerde uiteindelijk in de val van Thorbecke. Aan de herstelde bisschoppelijke hiërarchie werd echter niet meer getornd, behalve dan door het tamelijk gekunstelde artikel uit de Wet op de Kerkgenootschappen waarin werd bepaald dat de hoofden van de kerkgenootschappen zich niet officieel mochten vestigen in een of andere plaats vóórdat die residentie door de regering geschikt was verklaard . Aldus hield de nieuwe bisschop van Haarlem Mgr. F.J. van Vree zijn residentie pro forma in Sassenheim. In 1868 zouden de bisschoppen definitief hun zetels in de thans nog bekende steden innemen.

Het jaar 1853 werd door de katholieken in ons land al gauw gezien als de belangrijkste mijlpaal op de weg van hun emancipatie. Sedert 1795, het jaar waarin de Fransen hier vrijheid en gelijkheid kwamen brengen, zag het katholieke volksdeel kans zich met een steeds groter zelfbewustzijn op te stellen. Dit bewustwordingsproces werd in niet geringe mate gestimuleerd en begeleid door de katholieke pers . Het is zeker niet verwonderlijk dat in de verschillende tijdschriften en kranten de wederinvoering van de oude kerkorganisatie door de katholieken met veel trompetgeschal werd begroet. Evenals in de jaren van de Bataafse Republiek zag men in de periode na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie een grote toename van het aantal nieuwe katholieke parochies. Het verbaast niet dat hiermee een periode werd ingeluid van een grote activiteit op het gebied van de kerkenbouw.

DE STATIE OVERVEEN

De geschiedenis van de statie Overveen neemt een aanvang in het laatste decennium van de 17de eeuw. In 1697 kon de eerste pastoor van Overveen, Arnoldus G. Hodenpijl, zijn bescheiden kerkje met pastorie betrekken in opdracht van de toenmalige Apostolisch Vicaris Petrus Codde . De bevolking van het duingebied was sterk toegenomen door de belangrijke textielnijverheid in Haarlem en omgeving. Vooral de blekerij, die niet in Haarlem zelf, maar langs de duinen werd uitgevoerd, had in deze jaren een grote vlucht genomen. De blekerij, gebaseerd op het ruwere water van de geestgronden, de overvloed van karnemelk en turf, die diende als brandstof voor het koken, alsmede de nabijheid van Amsterdam als stapelmarkt, werd zo belangrijk dat zelfs uit Brabant, Overijssel en Westfalen seizoenarbeiders moesten worden aangetrokken . Op de bleekvelden, die talloze malen een geliefd onderwerp vormden voor onze 17de-eeuwse schilders als Jacob van Ruisdael, verwerkte men in 1566 20.000 en in 1650 maar liefst 100.000 stuks linnen, elk van 50 ellen .
Aangezien het kerkgebouwtje in zijn uiterlijke verschijning in niets mocht doen denken aan een godshuis, onderscheidde het zich nauwelijks van een gewone schuur . Het kerkje, dat was gesitueerd op de plaats van de huidige pastorie, werd daarnaast ook nog vanaf de openbare weg aan het oog onttrokken door de aangebouwde pastorie (afb. 1).
Tot patroonheilige van de kerk te Overveen werd gekozen de in het Haarlemse zo geliefde St. Bavo, die leefde in de 7de eeuw. Deze heilige werd gewoonlijk afgebeeld als een ridder met in zijn hand een valk en hij werd vereerd als genezer van bezetenen.
In de lijst van pastoors komen we o.a. J.B. Wijnands tegen, die tussen 1751 en 1781 pastoor te Overveen was, doch die zijn ambt aldaar combineerde met dat van Aartspriester van Kennemerland.
Nadat in de loop van de 18de eeuw de blekerijen een steeds kwijnender bestaan hadden geleden en vervolgens zelfs geheel waren verdwenen, kreeg de nering in de duinstreek een nieuwe impuls door de teelt van bloembollen. Vanuit dit gebied werden in steeds grotere hoeveelheden de hyacinten en andere bloembollen naar het buitenland geëxporteerd. De kerkelijke kas raakte hierdoor wat meer gevuld, zodat A.J.J. Keil, die pastoor te Overveen was van 1848 tot 1854, in 1849 een terrein van 200 Rijnlandse roeden kon aankopen. Op deze grond werd op 27 maart 1851 door de Aartspriester E.S. van der Haagen het kerkhof ingewijd. Men hield bij de aanleg van deze begraafplaats wel reeds rekening met de eventueel benodigde ruimte voor een nieuw te bouwen kerk voor de snel groeiende katholieke gemeenschap
Het was ook pastoor Keil die bij gelegenheid van de toediening van het Vormsel door de nieuwe bisschop van Haarlem F.J. van Vree, op 11 october 1853, voor de eerste maal heeft gesproken over het plan tot het bouwen van een nieuwe kerk in de sedert 1853 geheten “parochie Overveen”. De Haarlemse bisschop zou de opdracht hiervoor echter niet aan Keil doch aan diens opvolger Gijsbertus Schoonderbeek verstrekken.
 

 2,    DE KERKELIJKE BOUWKUNST IN DE 19DE EEUW

Zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien, kwam met de inval van de Fransen in 1795 een eind aan de bevoorrechte positie van de protestanten. Doordat echter van de restitutie der kerken nauwelijks iets terechtkwam en daarnaast ook de schuilkerken waarin de katholieken bijeen kwamen vrijwel overal te weinig plaatsruimte boden, waren de katholieken wel genoodzaakt over te gaan tot de bouw van nieuwe, grotere kerken. Nu hun de vrijheid om te bouwen was geschonken, grepen zij hun kansen met beide handen aan om zich door middel van deze nieuwe bedehuizen openlijk te manifesteren. Aldus bracht de 19de eeuw een ware bouwexplosie van katholieke kerken, met als hoogtepunt de periode vlak na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie.
Aangezien er geen sprake meer was van een echte traditie op het gebied van de kerkelijke architectuur en verder ook de (katholieke) bouwmeesters iedere ervaring op dit terrein misten ontstond een conglomeraat van stijlen, waaruit zich pas na het midden van de 19de eeuw met het werk van de architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) een ware herleving zou vormen van de gotische bouwkunst.
De periode tot 1850 werd gedomineerd door het neoclassicisme. De eerste architect van belang op het gebied van de kerkenbouw in deze periode was de Italiaan C.J.F. Giudici (1746-1819), die zich in 1774 in Rotterdam vestigde. In deze stad ontwierp hij in 1780 de Rosaliakerk in Lodewijk XVI stijl. Deze kerk, die een navolging was van de hofkapel van Versailles, toonde reeds de voorname rol van de stucadoor bij de vormgeving van het interieur. Het gebrek aan een logisch bouwbegrip leidde tot een architectuur waarin alles primair gericht was op het optisch effect en waarbij de functionele koppeling tussen stijlornamentiek en –constructie ver was te zoeken. Deze vorm van architectuur zou tot diep in de 19de eeuw het beeld van de kerkelijke bouwkunst bepalen.
Het gebruik van de neoclassicistische vormentaal werd vooral sterk gepropageerd door koning Lodewijk Napoleon die Franse architecten naar Holland liet overkomen en pensionaires of kwekelingen  naar Parijs en Rome stuurde om zich aldaar met een studiebeurs te bekwamen in het vak . Dit systeem zou overigens ook door de Oranjevorsten worden voortgezet. Het was ook Lodewijk Napoleon die na de buskruitramp van 1807 te Leiden de zwaar beschadigde middeleeuwse kapel, thans de Lodewijkskerk, liet herbouwen en aan de katholieken teruggaf. Giudici ontwierp voor deze verbouwing een geheel neoclassicistisch interieur. Het lijkt aannemelijk, zoals we in hoofdstuk 5  uiteenzullen zetten, dat Theo Molkenboer, die zijn carrière zou aanvangen met twee kolossale neoclassicistische kerken in Leiden, de St. Petrus en de Hartebrugkerk , sterk is beïnvloed door het werk van Giudici. Vermeldenswaard als neoclassicistisch bouwmeester is ook de Vlaming T.F. Suys (1783-1861), die in 1825 architect des Konings werd. Hij genoot zijn opleiding bij de Napoleontische architecten Ch. Percier en P.F.L. Fontaine in Parijs . Zijn belangrijkste schepping is wel de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam (1839-1841). Het motief van een klassiek zuilenfront met een torenpaar vindt zijn oorsprong in het Franse en Engelse classicisme van onder anderen J.N. Servandoni (1695-1766) en Th. Archer (1668-1743) .
De rol van de centrale overheid bij de bouw van nieuwe kerken in ons land was bepaald niet gering te noemen. We hebben reeds vermeld dat de zorg voor de zaken van de katholieke eredienst in 1815 aan een zelfstandig departement werd opgedragen. In 1824 bepaalde koning Willem I dat zonder de toestemming van het Rijk geen kerk mocht worden gebouwd . Met de uitvoering van dit Koninklijk Besluit werd onder andere het departement van Binnenlandse Zaken, Onderwijs en Waterstaat belast . De ingenieurs van Waterstaat beoordeelden ontwerp, bestek en begroting en hielden daarnaast ook toezicht bij de uitvoering van het werk. De bouwstijl kwam in de rapporten van deze ingenieurs echter sporadisch ter sprake. De waterstaatsingenieurs  ontwierpen ook zelf vele kerken. Zoals Van Agt reeds heeft aangetoond , is er echter zeker geen sprake van een “waterstaatsstijl”. Kenmerkend voor de kerken uit deze tijd, zowel de katholieke als de protestantse, is de representatieve voorgevel, dikwijls bekroond door een kleine klokkentoren. Omdat destijds een tempelfront nu eenmaal als indrukwekkend gold en een kerk tenslotte ook een toren behoorde te hebben, gingen deze beide samengevoegde elementen, die eigenlijk weinig bij elkaar pasten, de voornaamste onderdelen uitmaken van de kerkfaçaden. In plaats van “waterstaatsstijl” is het zinvoller te spreken van neoclassicisme.
De invloed van Waterstaat op de ontwerpen van derden was bepaald niet te veronachtzamen. De adviezen van de hoofdingenieur waren nagenoeg bindend. Theo Molkenboer is diverse malen in aanvaring gekomen met de waterstaatsambtenaren en heeft zijn ontwerpen meer dan eens moeten wijzigen, zoals we zullen zien bij de kerken van Purmerend en Tuitjenhorn, of zelfs geheel herzien, zoals bij de kerk van Lutjebroek. Hoewel vele ultramontanen hun kerken in “Romeinse stijl” gebouwd wensten te zien en vooral de hoogleraren aan de grootseminaries, die immers hun opleiding in Rome hadden genoten, vurige pleitbezorgers waren voor de “klassieke” stijl , moet toch het neoclassicisme omstreeks het midden van de 19de eeuw wat betreft de kerkenbouw het veld ruimen voor de neogotiek.
In deze neogotische bouwkunst onderscheiden we twee fasen:
- Een periode waarin het begrip voor de gotische constructie nog ver is te zoeken. Met hun gewelven die zijn nagebootst in gestucadoord latwerk verschilden deze kerken qua constructie in geen enkel opzicht van de neoclassicistische kerken. De voornaamste representant van deze richting, die ook wel de “stucadoorsgotiek” wordt genoemd, is Theo Molkenboer.
- Een periode van wetenschappelijk en archeologisch onderzoek, waarin men het gotische constructiesysteem leerde begrijpen en ook ging toepassen. De vertegenwoordigers van deze richting, die we de echte neogotiek noemen, zijn P.J.H. Cuypers en A. Tepe (1840-1920).
De belangstelling voor de gotiek ontstond vanzelfsprekend niet uit het niets. In de naburige landen was reeds langer sprake van een herleving van de belangstelling voor deze middeleeuwse stijl . Terwijl in Engeland de gotiek eigenlijk nooit geheel van het toneel was verdwenen, vestigde in Duitsland Goethe (1749-1832) opnieuw de aandacht op de middeleeuwen en begon men in de 20er jaren met de restauratie en voltooiing van de Keulse Dom. Ook in Frankrijk vond de gotiek pleitbezorgers in de figuren van F.R. Chateaubriand (1768-1848)  en E.E. Viollet-le-Duc (1814-1879). Germann  echter heeft ons op de verschillen gewezen die de Gothic Revival in de ons omringende landen liet zien. Benadrukten de Engelsen, met name A.W.N. Pugin (1812-1852), de emotionele en morele aspecten van de gotiek, zoals de band met de natuur en de mysterieuze sfeer van de middeleeuwen, de Fransen werden juist aangetrokken door de rationele grondslagen en de optische effecten van de gotische kathedralen met hun schijnbaar gewichtloze structuur. De Duitsers op hun beurt wezen vooral op het nationale gevoel, de stijl als symbool van de eenheid tussen religie, vaderland en kunst. Evenals de Duitsers meenden ook de Engelsen dat de gotiek in wezen een Duitse, respectievelijk Engelse stijl was.
Langzamerhand ontwikkelde men zich overal van een meer gevoelsmatige naar een rationele houding ten aanzien van de gotiek. Van een wetenschappelijke benadering van de gotiek was in Nederland echter aanvankelijk nog geen sprake. De stucadoorsgotiek kreeg hier een meer algemene betekenis door de romantische belangstelling van Willem II, die zijn voorliefde voor deze stijl had ontwikkeld gedurende zijn studietijd in Oxford van 1809 tot 1811 . Getrouw aan zijn Engelse achtergrond overheerste bij hem nog de verknochtheid aan de pittoreske en nostalgische aspecten van de gotische stijl. In de 40er jaren liet hij het paleis aan het Noordeinde in Den Haag in gotische stijl uitbreiden. Slechts de Gotische Zaal is hiervan overgebleven.
Toch waren dit bepaald niet de eerste neogotische gebouwen in Holland. In 1827 werd de Engels Episcopale kerk aan de Groenburgwal te Amsterdam verbouwd. De gevel, die waarschijnlijk werd ontworpen door de gemeentearchitect J. Janssen, vormde het eerste voorbeeld van kerkelijke neogotiek in ons land . Hekker  heeft echter aangetoond dat vooral de architect Chr. Kramm (1797-1875) aan de wieg van de neogotiek in Nederland heeft gestaan. Deze werd in 1823 belast met de restauratie van de Utrechtse Dom, nadat hij deze in een eerder stadium reeds geheel had opgemeten. Als directeur van de Stadsscholen voor Teeken- en Bouwkunde te Utrecht maakte hij vele buitenlandse reizen en voerde hij in 1834 de gotische architectuurtekening bij het onderwijs in. Zelf ontwierp Kramm in 1838 de rooms-katholieke kerken van Soesterberg en Harmelen. Het was ook in ditzelfde jaar dat Theo Molkenboer de tekeningen maakte voor de Mon-Père kerk in Leiden. Evenals de kerken van Kramm was de gevel van deze kerk geïnspireerd door de Engelse Tudor neogotiek.
Theo Molkenboer, zoals reeds gezegd de belangrijkste en productiefste vertegenwoordiger van de stucadoorsgotiek, groeide uit tot een ware handelsreiziger in neostijlen. Zijn leven lang zou hij zich tevreden stellen met het leveren van deze architectuur. Zonder begrip van de bij de stijl behorende constructieve ideeën, combineerde hij aan eenzelfde gebouw zowel vroeg- als laatgotische elementen met inspiratie op Franse, Duitse en Engelse voorbeelden. Behalve in neogotische stijl bouwde hij ook in neoclassicistische, neobarokke en neoromaanse trant.
Rond het midden van de eeuw ontstond echter steeds meer verzet tegen de heersende smaak. Het was vooral Alberdingk Thijm, die als literator en kunstcriticus een niet aflatende stroom van kritiek spuide op het “heidense neoclassicisme” . In het voetspoor van zijn buitenlandse collega-literatoren als Pugin en Viollet-le-Duc prees hij de gotiek aan als de hoogste christelijke kunst, maar was hij geenszins tevreden met de resultaten van de stucadoorsgotiek. In zijn beginselverklaring “De Heilige Linie”  liet hij een denkbeeldige opponent de tegenwerping maken: “dus gij wenst een herleving dier oude kunst? Wat gij in de heidense Renaissance afkeurt, wenst gij op ander gebied te herhalen?”, waarop Thijm vervolgens antwoordde: ”Geenszins: ons geslacht moet van zijn eigen adem leven. Maar ik verlang herleving der enig ware en eeuwige beginselen. Ik wens daartoe grondige, veeljarige bestudering van de beste gewrochten, waarin die beginselen verwezenlijkt zijn – en dan wens ik dat men verder ga!”. Evenals bij Pugin zien we bij Thijm een beklemtonen van de morele aspecten van de gotiek.
In deze tijd associeerde men de gotiek met de christelijke middeleeuwen en zag daarom deze stijl als bij uitstek geschikt voor de katholieke kerken. Het ging zelfs zo ver dat tegenstanders van de katholieken ontwerpen voor profane bouwwerken als propaganda voor de katholieke zaak kenschetsten .
Was Alberdingk Thijm de man van het woord, in zijn vriend en latere zwager, P.J.H. Cuypers vond hij de man van de daad. Met Cuypers nam de wetenschappelijke fase van de neogotiek een aanvang toen deze in 1853, hetzelfde jaar waarin Molkenboer zijn Redemptoristenkerk in Amsterdam zag verrijzen, de kerk in Oeffelt aan de Maas met stenen gewelven liet overkluizen. In het gehele land verrezen daarna de kerken van Cuypers, die aanvankelijk op de Franse gotiek waren geënt doch later putten uit een veel breder scala van middeleeuwse inspiratiebronnen .
Voor Molkenboer echter vormden de 50er jaren juist een zeer productieve periode, waarin hij verschillende jaren meer dan één kerk tegelijkertijd onderhanden had. De dikwijls vernietigende kritiek op zijn werk van met name Thijm alsmede de succesvolle carrière van Cuypers vermochten Molkenboer in geen enkel opzicht te hinderen. Zelfs de rampzalig verlopen restauratie van de middeleeuwse Walburgiskerk te Arnhem, halverwege de 50er jaren vormde zoals we nog zullen zien, geen enkel beletsel op zijn weg naar grote roem. Door zijn goedkope wijze van bouwen alsmede zijn vele relaties werden de opdrachten Molkenboer in de schoot geworpen. In Helmond moest Cuypers, die in 1852 een plan had ingediend voor de vergroting van de laatgotische Lambertuskerk, het afleggen tegen de Leidse architect, die daar ten slotte zelfs een geheel nieuwe kerk zou ontwerpen. Brom wijdde aan het passeren van Cuypers de volgende kleurrijke passage : …”Maar toen de romanticus zich daar met baard en lange haren, een slappe hoed en een artiestepak vertoonde, was alle vertrouwen in de jongeman voor goed weg en nam men zijn toevlucht tot de eeuwige Molkenboer”. In de archieven viel van dit voorval overigens geen bevestiging te vinden.
Dat Thijm voor de goede zaak wel eens iets door de vingers wilde zien, mag blijken uit zijn houding ten aanzien van de kerk van Vogelenzang. Toen de eigenzinnige, door Thijm zeer hoog geachte Warmondse professor Th. Borret, die van zijn studie in Rome een levenslange voorkeur voor  de klassieken overhield, toch door de neogotische richting werd meegesleept en als bouwheer te Vogelenzang een gotische kerk wilde laten bouwen ging de opdracht naar Molkenboer. Aangezien Thijm de stap van Borret in de gotische richting van groot gewicht achtte, overwon hij tijdelijk zijn afkeer van de stucadoorsgotiek en leverde hij, tegen zijn gewoonte in, tamelijk gematigde kritiek op het bouwwerk .
Toch mocht Cuypers nog wel het genoegen smaken om enige kerken van Molkenboer die inmiddels te klein waren geworden, te mogen afbreken om er vervolgens zijn eigen creaties te laten verrijzen. Dit was het geval in Zoeterwoude, Lutjebroek en Hilversum. Ten slotte bood het imposante standaardwerk van Kalf , dat onder Cuypers’ leiding verscheen hem nog de gelegenheid om vrijwel stelselmatig de kerken van Molkenboer af te doen met de kwalificatie “onbeduidend”.
Ook de architect A. Tepe dient nog vermeld te worden als belangrijk neogotisch bouwmeester met zijn inspiratie op de late Duitse en Nederlandse gotiek, doch als diens loopbaan een aanvang neemt, is Molkenboer reeds een tiental jaren dood.
 

 3.    DE BOUWGESCHIEDENIS VAN DE KERK VAN OVERVEEN

Men kan de geschiedenis van de bouw der rooms-katholieke kerk te Overveen laten aanvangen in februari 1849 met de aankoop door het kerkbestuur van  een perceel grond ter grootte van 200 Rijnlandse roeden voor de som van f. 2000,- . Dank zij de florerende bloembollenteelt kan het kerkbestuur nu profiteren van een grote offerbereidheid van de Overveense katholieken. Driekwart van het voor de aankoop benodigde geld kan worden betrokken uit giften . In een brief schrijft de toenmalige pastoor A.J.J. Keil op 10 februari 1849 aan de Aartspriester E.S. van der Haagen, die tevens pastoor te Zoeterwoude is, dat men denkt aan vergroting van de bestaande kerk, maar nog sterker overweegt om een geheel nieuwe bedehuis te bouwen .
Op het aangekochte stuk grond gaat men nu over tot de aanleg van een katholieke begraafplaats met nauwkeurige inachtneming van den gewenste plaatsruimte voor de bouw van een toekomstige nieuwe kerk . Het kerkhof wordt op 27 maart 1851 door Van der Haagen ingewijd.
In de hierna volgende jaren komt men echter nog niet tot een beslissing over de eventuele bouw van een nieuwe kerk. Sommigen zien op tegen de hoge kosten die hieraan zonder twijfel zijn verbonden en achten vergroting van het bestaande kerkgebouw voldoende, anderen echter, onder wie het voltallige kerkbestuur, oordelen de financiële draagkracht van de gemeente wel toereikend voor nieuwbouw.
In het jaar 1853 wordt in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld en Franciscus Jacobus van Vree tot bisschop van Haarlem benoemd. Bij een bezoek van de bisschop aan Overveen, op 11 october 1853, bij gelegenheid van het toedienen van het Vormsel, wordt de kwestie van het al dan niet bouwen van een nieuwe kerk met hem besproken, doch ook dan komt men niet tot een besluit. Bijna een jaar later neemt de parochie Overveen afscheid van zijn pastoor Keil als deze op 1 september 1854 wordt overgeplaatst naar Naaldwijk. Het zou ons niet verbazen als Van Vree heeft gewacht op het moment dat hij pastoor Keil, die als een kamergeleerde nauwelijks contact had met zijn parochianen , zou kunnen vervangen door een man van wie hij, gezien de toekomstige ontwikkelingen in Overveen meer zou kunnen verwachten. Deze man vindt hij in de persoon van zijn vroegere studievriend Gijsbertus Schoonderbeek, die tot zijn overlijden in 1887 met de pastorale zorg over Overveen zal worden belast.
De ontwikkelingen geraken nu in een stroomversnelling. Op 30 october 1854 tekent Van Vree het besluit waardoor de statie Overveen als zodanig wordt opgeheven en het grondgebied binnen de daarbij aangeduide grenzen wordt verheven tot een parochie in de kerkrechterlijke zin des woords, waaraan hij tevens als parochiekerk de kerk van de H. Bavo te Overveen toewijst .
Na deze formaliteiten neemt Schoonderbeek de bouw met grote voortvarendheid ter hand, want reeds op 9 november wordt tijdens een bijzondere vergadering van het kerkbestuur, in aanwezigheid van de Deken van Haarlem als buitengewoon voorzitter, het besluit genomen tot de bouw van een nieuwe kerk . Men komt tot de keuze van de gotieke bouworde en wijst Theo Molkenboer aan als architect en zijn oomzegger en later ook productieve kerkbouwmeester Th. Asseler (1823-1879) als zijn opzichter . Helaas tasten we in het duister omtrent de beweegredenen die tot deze keuzen hebben geleid, aangezien het notulenboek van de vergaderingen van het kerkbestuur, dat hierover wellicht uitsluitsel zou kunnen geven, voor zo ver valt na te gaan niet bewaard is gebleven. Dat de keuze op Molkenboer valt mag ons overigens niet al te zeer verbazen aangezien op dat moment reeds een twintigtal door hem ontworpen kerken zijn verrezen, voornamelijk in het bisdom Haarlem. Vooral met zijn Redemptoristenkerk in Amsterdam, die in deze maand gereed komt, oogst hij veel waardering.
Theo Molkenboer krijgt de opdracht tot de bouw van een kerk met 1000 zitplaatsen. Gezien het feit dat Overveen op dit moment 900 parochianen telt, houdt men dus rekening met enige overcapaciteit. Het zal dan ook in Overveen niet gebeuren dat de kerk binnen enkele jaren al weer te klein is geworden, hetgeen zoals we nog zullen zien, bij vele in deze jaren gebouwde kerken het geval is geweest.
Op zondag 19 november 1854 laat pastoor Schoonderbeek zien dat de bisschop niet ten onrechte in hem het vertrouwen als bouwpastoor heeft gesteld. In een gloedvolle preek betoogt hij dat het een ieders plicht is om bij te dragen aan de bouw van de nieuwe parochiekerk. Op ondubbelzinnige wijze rekent hij af met alle mogelijke bezwaren en bedenkingen .
Nu het besluit tot de bouw is genomen breekt een periode aan van veelvuldige correspondentie tussen pastoor en kerkbestuur, de architect Molkenboer, de bisschop en bestuurlijke autoriteiten. De Haarlemse bisschop geeft op 13 november toestemming voor het houden van een intekening , waarop in korte tijd maar liefst voor f. 20.000,- wordt ingeschreven . Op 7 januari 1855 schrijft Molkenboer aan Schoonderbeek dat de tekeningen voor de kerk bijna gereed zijn .
Uit een brief van 30 januari blijkt dat het kerkbestuur de kerk in het najaar onder dak wil hebben . In deze zelfde brief schrijft Molkenboer dat hij meermalen heeft ondervonden dat een op spoed aandringend rekwest of een persoonlijke audiëntie bij de bevoegde instanties de behandeling aanzienlijk heeft versneld. Op 5 februari kan Molkenboer het bestek en drie dagen later de tekeningen en de begroting aan de pastoor toezenden . In zijn begeleidende brief van 8 februari 1855 schrijft de architect dat hij het heeft gewaagd de kosten een weinig te verhogen in verband met enige verstevigingen en verfraaiingen . De begroting die Molkenboer heeft opgesteld blijkt de somma van f. 55.986,80 te bedragen . De architect wil duidelijk vaart achter het geheel zetten want hij suggereert het kerkbestuur dat hij de bestekken nu al zou kunnen laten drukken .
Op 20 februari 1855 richt het kerkbestuur zich in een officieel schrijven tot de koning met het verzoek om een nieuwe kerk te mogen bouwen. Het bestuur vermeldt hierin dat het huidige gebouw totaal vervallen is en tevens “meer dan de helft te klein is om de parochianen te bevatten” en “dat thans vele, vooral behoeftige en arbeidslieden genoodzaakt zijn, willen zij op zon- en feestdagen aan de godsdienstpligten voldoen, zich buiten het gebouw aan regen en wind, hitte en koude bloot te stellen” . Het bestuur vraagt de kerk geheel voor eigen rekening te mogen bouwen.
Het aan de koning gerichte verzoek gaat vervolgens de gebruikelijke weg en belandt via de Commissaris van de Koning in de provincie Noord-Holland Van Ewijck op het bureau van de hoofdingenieur van waterstaat E. de Kruijff. Deze schrijft op 10 maart aan de Commissaris dat hij na aandachtige bestudering van de stukken en bezichtiging van het bouwterrein en van de oude kerk van mening is “dat door de uitvoering van het plan eene belangrijke verbetering voor de R.C. Gemeente en verfraaying van het dorp zal plaats hebben, en teekeningen noch begrooting stof tot bedenkingen gegeven hebben”. Hij voegt hier echter nog wel aan toe: “Alleen vind ik de tijdsbepaling voor de oplevering van het verschillende werk wel wat kort gesteld” .
Molkenboer zal in Overveen geen moeilijkheden ondervinden in zijn contacten met Waterstaat. Zoals we in hoofdstuk 5 zullen zien, kan dit niet van al zijn werkzaamheden gezegd worden. Dat hij de bouwtijd dikwijls tamelijk krap bemeet, zullen we ook nog meermalen tegenkomen. Blijkens een brief van 13 maart  adviseren ook Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bloemendaal de Commissaris in positieve zin, waarbij men uitdrukkelijk vermeldt dat aan artikel 7 van de Wet van 10 april 1853 (Staatsblad N102) is voldaan, te weten dat zich geen ander bedehuis binnen een straal van 200 el rond de kerk bevindt. Ten slotte ondersteunt ook bisschop Van Vree in een brief van 19 maart het verzoek van het kerkbestuur .
Intussen heeft Molkenboer, zoals hij een brief van 12 maart 1855 laat weten, 50 bestekken laten drukken . Hij voegt bij deze brief tevens een concept van een advertentie voor de aanbesteding. Verder vermeldt hij nog dat de laatste aanbestedingen die hij heeft gehad alle onderhands zijn geschied en voegt er in een voetnoot aan toe: “zo ook vroeger van de Seminaries te Warmond, Voorhout en Kuilenburg”. De architect zorgt vervolgens voor de verzending van voldoende bestekken naar de in de advertentie genoemde logementen in Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Utrecht, Arnhem en Overveen, alwaar zij ter inzage zullen liggen. Belangstellenden kunnen tevens in Overveen de tekeningen bezichtigen. Verder zendt Molkenboer exemplaren van de bestekken naar “enige voorname aannemers” .
Nu de Commissaris van de Koning de benodigde adviezen van respectievelijk de hoofdingenieur van Waterstaat, burgemeester en wethouders van Bloemendaal en de kerkvoogd heeft ingewonnen, kan hij op 21 maart de minister in overweging geven om de Koning te adviseren de gevraagde machtiging tot de bouw daadwerkelijk te geven .
Uiteindelijk ontvangt het kerkbestuur de beschikking, gedateerd 24 maart 1855 van de Minister voor de Zaken der Roomsch Katholijke Eeredienst J.A. Mutsaers . Onder de bepalingen lezen wij dat de werken in het openbaar aanbesteed zullen worden onder toezicht van de bouwmeester, een eis die in ieder geval steeds werd gesteld bij een geheel of gedeeltelijk door het Rijk gesubsidieerde bouw . Daarnaast bepaalt de minister dat het werk te allen tijde door een daartoe aan te wijzen beambte van Waterstaat kan worden geïnspecteerd en dat de kosten volledig voor rekening van de parochie zullen komen. Deze laatste bepaling is niet opmerkelijk aangezien ons niets is gebleken van een eventuele subsidieaanvrage door het kerkbestuur.
Op 25 maart schrijft Molkenboer  dat hij Asseler heeft uitgenodigd zijn betrekking als opzichter te aanvaarden. Asseler, een neef van de architect was ook als opzichter betrokken geweest bij de bouw van de Redemptoristenkerk te Amsterdam. Hij zou later als zelfstandig bouwmeester vele kerken in stucadoorsgotische trant ontwerpen.
De nieuwe opzichter spoedt zich vervolgens naar Overveen om daar aan eventueel geïnteresseerde aannemers de nodige aanwijzingen bij de tekeningen te kunnen verstrekken. Tevens zendt de architect naar de parochie een kistje met monsters van metselsteen en dakleien.
Nu de advertentie van de aanbesteding in het Handelsblad, de Haarlemmer Courant en de Tijd zijn verschenen , breekt de dag aan van de publieke aanbesteding, die op de morgen van 4 april 1855 wordt gehouden ten huize van G. Rijnierse, kastelein in het Logement “Van Ouds Genaamd Het Raadhuys” te Overveen . Zoals in het bestek vermeld konden belangstellende aannemers inschrijven met gesloten biljetten waarop zij hun aanneemsom dienden te vermelden. Na het openen van de biljetten, onder toezicht van de notaris, kan de volgende balans worden opgemaakt :
 H. Heuvels uit Arnhem f. 80.000,-
 W. Stapelkamp uit Haarlem f. 69.323,-
 D. van Bakel uit Amsterdam f. 68.000,-
 J. de Koning uit Leiden f. 68.000,-
 H.J. Sebil uit Haarlem f. 59.500,-
Onder bovengenoemde inschrijvers komen wij voor Molkenboer bekende namen tegen als Heuvels en De Koning. Heuvels was als aannemer betrokken geweest bij de St. Franciscus Xaverius te Amersfoort, de St. Victor in Noordwijkerhout en de St. Martinus in ’t Veld, terwijl hij later de O.L.V. ten Hemelopneming in Vogelenzang zou bouwen. Aannemer De Koning is in deze jaren nog bezig met de St. Petrus’ Banden in Roelofarendsveen. Gezien het feit dat men in Roelofarendsveen bijna radeloos werd door het trage tempo van de werkzaamheden ten gevolge waarvan de kerk bijna een vol jaar te laat zou worden opgeleverd  mag men zich in Overveen gelukkig prijzen dan het niet De Koning zou zijn die met de opdracht gaat strijken.
Bij het hierna volgende opbieden mijnt H.J. Sebil het werk voor een bedrag van f. 58.600,-  . Aangezien dit bedrag hoger uitvalt dan hetgeen is begroot, treedt men in overleg met de bisschop en deze geeft zijn fiat .
Overigens was ook de timmerman en aannemer Henricus Johannes Sebil (1809-1860) uit Haarlem in kerkelijke kringen geen onbekende, aangezien hij zo’n 12 jaar eerder als aannemer betrokken was bij de vergroting van het Seminarie te Warmond onder de leiding van Theo Molkenboer. Dit werk heeft Sebil echter niet kunnen voltooien omdat hij tijdens de bouw failliet ging .
Het werk te Overveen wordt nu dus gegund aan Sebil en als borgen treden op B. Maxwils uit Den Haag en J. Schouten uit Haarlem . De dag na de aanbesteding vraagt Molkenboer de originele tekeningen van de pastoor terug om er kopieën van te kunnen laten maken . Uit een brief van 11 april blijkt dat er van ieder raam en figuur een tekening op ware grootte vervaardigd dient te worden . Bij deze brief is het contract ingesloten, getekend door Molkenboer op 4 april, tussen kerkbestuur en architect . Molkenboer zal f. 2000,- ontvangen aan salaris voor het maken van de tekeningen, bestek en begroting, benevens voor het maken van de benodigde detailtekeningen en modellen, voor reiskosten en voor de leiding over het werk.
Nadat alle voorbereidingen achter de rug zijn kan thans daadwerkelijk een aanvang met de bouw worden gemaakt en op 1 mei 1855 wordt dan ook de eerste steen gelegd . Met meer kerkelijke plechtigheid is echter de plaatsing van de hoeksteen alsmede de zegening van de fundamenten omgeven. Deze plechtigheid wordt op 22 mei door Mgr. Van Vree voltrokken, waarbij onder de hoeksteen een loden kist wordt ingemetseld bevattende een dankbetuiging aan de parochianen die dit werk mogelijk hebben gemaakt . De Haarlemse bisschop blijkt wel beducht te zijn geweest voor overlast, want in een brief van 16 mei laat hij de pastoor weten “dat én de plaats, waarop de plegtigheid der benedictie en impositie primarii lapidis der nieuwe kerk te Overveen, zal geschieden, én de weg daarheen, waarlangs de Clerus gaan moet, zoodanig behooren gedekt te wezen, dat van buiten af de Geestelijkheid door niemand gezien kan worden. Ik heb hiermede op het oog, om alle aanmerking of moeijelijkheid van de zijde der wereldlijke magt te voorkomen” .
Hoewel Molkenboer op 11 juni verklaart dat Sebil nog niet volledig heeft voldaan aan de bepalingen van artikel 11 der algemene voorwaarden uit het bestek, geeft hij toch zijn akkoord voor het laten uitbetalen van de eerste termijn van de aannemingssom: f. 7325,- . Bij de uitbetaling van de tweede termijn aan Sebil, op 6 juli, blijken de vloer-, kap- en zolderdelen nog niet te zijn geleverd , doch bij de afsluiting van de derde termijn wordt niet meer over nalatigheid gesproken .
Nu de bouw gestadig en volgens plan vordert kan het kerkbestuur de aandacht grotendeels gaan richten op de financiële kant van de zaak. De aanzienlijke schuldenlast maakt de pastoor en het bestuur vindingrijk. In september ontvangen de parochianen een schrijven  van het bestuur, waarin wordt gewezen op de bloembollenteelt en –handel, die in de gemeente Overveen “eene welvaart verspreiden, die schier zonder weêrga is”. In de brief wordt een idee van pastoor Schoonderbeek  gelanceerd, namelijk een openbare verkoping van bloembollen ten bate van de kerk. Een ieder wordt opgewekt om tussen 20 september en 20 october bloembollen te (laten) planten op enige ter beschikking gestelde tuinen, waarna deze bloembollen in de bloeitijd van het jaar 1856 in een openbare veiling zullen worden verkocht en de opbrengst ten goede zal komen aan het kerkbestuur tot leniging van de schuld.
Op 11 october ontvangt aannemer Sebil zijn vierde termijn , doch intussen nadert de in het bestek genoemde datum van 1 november 1855 waarop het kerkgebouw, met uitzondering van het bovengedeelte van de toren, van buiten voltooid en van binnen zo ver gereed dient te zijn dat het op zon- en feestdagen voor de kerkdienst kan worden gebruikt . Sebil kan echter aan het gestelde niet voldoen en pleit in een brief van 30 october  aan het kerkbestuur, om hem desnoods de vijfde termijn op 15 november uit te betalen. Op dit moment herinneren wij ons de aanmerking van de hoofdingenieur van Waterstaat De Kruijff op de zijns inziens krappe tijdsplanning, als Sebil schrijft “dat met den besten wil en allen mogelijken inspanning het den ondergeteekende ondoenlijk is geweest aan deze bepalingen te voldoen”. Sebil vermeldt nog dat “hij met de gewelven enz. bijna zooveel vooruit, als hij met het vereischt wordende ten achteren is” en dat het kerkbestuur tot dan toe van grote tevredenheid heeft blijk gegeven. Op het advies van Molkenboer  betaalt het bestuur de vijfde termijn op 14 november uit omdat dit naar de mening van de architect “zeker eene goede indruk bij de aannemer zal geven” echter wel met de bepaling dat het de opdrachtgever vrij zal staan de boete van f. 20,- per dag ingaande op 1 november van een der volgende termijnen in te houden .
Zonder noemenswaardige problemen wordt op 14 maart de zesde termijn aan Sebil uitbetaald . De eerder aangekondigde bollenveiling wordt op 18 april gehouden en brengt maar liefst f. 3556,- op . Schoonderbeek’s idee van een dergelijke kerkeveiling zou in de naburige gemeenten bijna algemeen worden nagevolgd. De eerstvolgende jaren zal ook te Overveen deze veiling worden herhaald, doch de opbrengst van de eerste veiling zou niet meer worden gehaald .
Op 24 september 1856 dan breekt de lang verbeide dag aan waarop de kerk door de bisschop van Haarlem plechtig wordt geconsacreerd . Dank zij het fraaie schilderij waarop de Amsterdamse schilder  R. Craeyvanger deze ceremonie heeft vereeuwigd, zijn wij in staat ons een beeld van de gebeurtenis te vormen. We zien dat in de kerk nog geen banken  zijn geplaatst, terwijl ook de preekstoel en de communiebanken ontbreken.
Zoals te doen gebruikelijk wijdt het blad De Godsdienstvriend een lyrische passage aan dit zonder twijfel luisterrijke gebeuren . De kerk blijkt nu niet meer aan de vroegere patroonheilige St. Bavo te zijn toegewijd, doch voortaan door het leven te gaan als de kerk van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Deze naamswijziging wordt begrijpelijk als we weten dat op 8 december 1854 paus Pius IX als geloofswaarheid “de onbevlekte ontvangenis van Maria” had afgekondigd. Met dit dogma wordt bedoelt dat Maria geboren is zonder erfzonde.
Bijna een jaar na de inwijding van de kerk, op zondag 13 september 1857, doet pastoor Schoonderbeek tijdens een preek aan zijn parochianen verslag van de bouw van de nieuwe kerk . Naast een volledige financiële verantwoording van inkomsten en uitgaven zwaait de pastoor lof toe aan de bij de bouw betrokkenen. Aan “den zaakkundigen en verdienstelijken Architect Molkenboer” blijkt f. 2080,- te zijn uitbetaald in vijf termijnen. De aannemer Sebil ontving zijn geld in acht termijnen, waarbij aangetekend wordt dat van de laatste termijn nog f. 150,- is ingehouden “voor nog eenig voeg en stukadoorswerk, dat wegens de invallende winter moest worden uitgesteld blijven”. De laatste termijn is uitbetaald nadat op 15 december 1856 van de architect de schriftelijke verzekering is ontvangen “dat het kerkgebouw voltooid en volgens bestek en teekeningen in goede order was afgewerkt met de daarbij gevoegde verklaring dat de Aannemer de Heer H.J. Sebil de werkzaamheden tot zijn volkomen genoegen behandeld en alzoo de meeste lof en aanbeveeling verdiend heeft”.
Opmerkelijk is dat in de preek de meeste lof uitgaat naar de opzichter Th. Asseler, die boven op zijn wekelijkse salaris tot een totaal bedrag van f. 1332,- een bankbiljet van f. 300,- krijgt aangeboden alsmede “eene behoorlijk gewaarmerkte verklaring dat ZijnEd ons vertrouwen in hem gesteld in geen geval heeft te leur gesteld, dat wij in hem gevonden hebben eenen trouwen opzigter” en verder is hem geboden “voor zijne erkende verdienste de betuiging van onze hoogste tevredenheid alsmede de verzekering dat wij hem daar, waar zulks voegt ten zeerste zullen durven aanbevelen”.
Ten slotte wordt de beeldhouwer L. Veneman uit Den Bosch geprezen voor zijn altaren.
In latere passages uit het Memoriaal-register lezen wij dat bij de aflevering van de kerk, deze geheel voorzien was van wit Frans glas hetgeen tezamen met de grote omvang van de ramen en de witte stucadoorpleister waarmee het inwendige was behandeld, vooral op zomerse dagen zorgde voor een letterlijk oogverblindend interieur, zodat de kerk in deze tijd nagenoeg onbruikbaar was. Men vond de oplossing enerzijds door het plaatsen van gebrandschilderde ramen (in het koor in 1862 door Fr. Baudri uit Keulen, in het schip in 1880 door H.J.J. Geuer eveneens uit Keulen)  en anderzijds door het op advies van Mengelberg uit Utrecht laten schilderen van het interieur in lichtgrijs met gele banden .
 Met de bouw van de kerk komt nog geen einde aan de activiteiten van Molkenboer in Overveen, want in 1859 ontwerpt hij de nieuwe pastorie naast de nieuwe kerk. Deze pastorie wordt voor de som van f. 15.133,- gebouwd door P. Rijnierse & Zn  en wordt op 5 juni 1860 opgeleverd.
Als op 31 januari 1861 bisschop Van Vree overlijdt, besluit het kapittel, aangezien Haarlem geen katholiek kerkhof bezit, het stoffelijk overschot te Overveen bij te zetten. Het kerkbestuur van Overveen besluit echter in 1862  om de grafkelder tot een eigen begraafplaats van de Haarlemse bisschoppen  te maken en schenkt deze ruimte aan het diocees. De nieuwe bisschop van Haarlem G.P. Wilmer geeft daarna via het kerkbestuur de opdracht aan Theo Molkenboer om een grafkelder te ontwerpen. Dit werk komt gereed op 5 october 1864, doch dan is de architect Molkenboer inmiddels overleden.
 

 4.    BESCHRIJVING VAN DE KERK VAN OVERVEEN

Bij de beschrijving van de kerk van Overveen baseren wij ons behalve op de huidige staat van het gebouw ook op het reeds eerder genoemde schilderij van R. Craeyvanger uit het jaar van de inwijding, verder een aquarel uit 1860 van dezelfde kunstenaar en daarnaast op de ontwerptekeningen  en het bestek .

LIGGING
De kerk van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen is gelegen op een perceel aan de Zijlweg in Overveen, gemeente Bloemendaal. De ligging en omvang van het bouwperceel bood de gelegenheid om de kerk met de westgevel en de toren aan de Zijlweg te bouwen en tevens om het gebouw de gewenste oriëntatie te geven, dat wil zeggen met het altaar gericht naar het oosten.

PLATTEGROND
De plattegrond van de kerk toont ons een rechthoek, waarbij de lengte en de breedte zich verhouden als 2 : 1, met aan de oostzijde een koor met een vijfhoekige absis en aan de westzijde een aangebouwde toren. Het schip is vijf traveeën lang en bestaat uit een middenschip dat tweemaal zo breed is als de zijbeuk. Het vierkant van de kruising heeft tweemaal de grootte van een middenschiptravee. Voor het koor en de beide zijkapellen gelden dezelfde maten als voor die van de schiptraveeën en de zijbeuken.
De zijmuren lopen ononderbroken door van west- tot oostgevel en worden geleed door steunberen die alle ter hoogte van de pijlers zijn aangebracht, behalve de steunbeer tegen de noordzijde ter hoogte van de kruisingspijler aan de kant van het schip.
Ter hoogte van de kruising zijn zowel links als rechts aan de buitenmuur biechtkamers gebouwd.

FUNDERING
De gesteldheid van de bodem op het bouwterrein gaf, zoals wel te verwachten valt in de duinstreek, voldoende garantie dat niet behoefde te worden geheid. De kerk werd aldus op staal gebouwd. De basislaag van de fundamenten ligt zo’n 2,00m beneden de kerkvloer en is voor de kerkmuren zes stenen breed. Op deze laag heeft men met versnijdingen de fundamenten opgemetseld tot een hoogte van 1,10m en een breedte van twee stenen en vervolgens nog 40cm van deze zelfde dikte. Op dit fundament van waalmoppen is een trasraam van klinkers gemetseld tot een hoogte van 2,40m en vervolgens de muren van waalmoppen ter dikte van twee stenen.
De toren is gefundeerd op een bed van 8,00 bij 7,00m.

TOREN
De toren, die tegen de westgevel van de kerk is gebouwd, is evenals de westgevel opgetrokken uit gevelgrauwe waalmoppen. De verdeling is verschillend voor de voor- en zijmuren van de toren. De zijmuren tonen een verdeling in vier geledingen, waarvan de eerste drie worden gescheiden door een natuurstenen lijst. In de tweede en derde geleding zijn spitsboogvormige blinde nissen, met elk een stijl en traceringen in de koppen, aangebracht. Onder de nis in de derde geleding bevindt zich tevens een blinde arcade van tootbogen. Zoals gezegd sluit de verdeling van de westgevel van de toren hier niet op aan, want boven de spitsboogvormige ingangspartij is een groot spitsboogvenster geplaatst met drie stijlen en tracering in de koppen, waarboven een natuurstenen windberg is aangebracht die wordt bekroond door een kruisbloem ter hoogte van de balustrade. Deze houten balustrade loopt om de hele toren en vormt de overgang naar de korte, inspringende en eveneens gemetselde klokkenverdieping. Deze verdieping wordt gesteund door luchtbogen. De steunberen van de klokkenverdieping worden bekroond door houten pinakels met gietijzeren kruisbloemen en zij zijn langs de gehele toren aangebracht. Deze contreforten tonen versnijdingen ter hoogte van de cordonlijsten in de zijgevels der toren en zijn over de gehele tweede en derde geleding voorzien van blinde nissen met tootbogen. De luchtbogen reiken tot iets onder het midden van de klokkenverdieping. Boven de galmgaten en wijzerplaten bevinden zich houten windbergen, die worden bekroond door gietijzeren kruisbloemen. Op de klokkenverdieping is vervolgens een achtkantige, met leien gedekte ingesnoerde naaldspits geplaatst, waarin zich nog vier dakvensters bevinden. De galmborden en de tracering waarin deze zijn gevat, zijn van hout.
De breedte van de toren is buitenwerks 5,60m, de lengte 5,00m en de hoogte tot en met het kruis 39,50m.

EXTERIEUR
Behalve de westgevel, die evenals de toren is opgetrokken uit gevelgrauwe waalmoppen, zijn de overige muren gemetseld met hardgrauwe waalmoppen. Enige belangrijke maten van de kerk zijn: lengte buitenwerks van west- tot oostgevel 34,60m, de breedte buitenwerks 17,00m, de hoogte van de zijmuren 10,50m en de hoogte van transept-, koor- en absismuren 14,70m.
De kerk behoort tot het type van de driebeukige pseudo-basiliek, aangezien de middenbeuk wel boven de zijbeuken uitstijgt doch zonder voldoende ruimte over te laten voor een lichtbeuk.
De gehele ruimte, dus zowel middenschip als zijbeuken, wordt overdekt met één doorlopend, met blauwe leien gedekt zadeldak, waarvan de nok op 18,80m, tot even onder de torenbalustrade reikt.
Hoewel de kerk de indruk maakt een kruiskerk te zijn, liggen de muren van de zijbeuken en het transept toch in één vlak, zodat in feite dient te worden gesproken van een pseudo-transept. Aan weerszijden van het koor bevinden zich twee zijkapellen die overdekt zijn met aparte daken waarvan de goten op dezelfde hoogte liggen als die der zijgevels.
Het koor wordt afgesloten door een vijfhoekige absis en de beide zijbeuken en zijkapellen door vlakke sluitgevels. Het schip heeft een lengte van vijf traveeën, die behalve door ramen ook worden gemarkeerd door vlakke steunberen met drie versnijdingen. Het opgaande muurwerk is voor wat betreft het exterieur geheel uitgevoerd als schoon metselwerk in kruisverband, met verwerking van Bentheimer steen in de raamomlijstingen, de blinde nissen, de dekstenen op de steunberen en de pinakels op de hoeken van de westgevel.
Boven de kruising is een achtkantige dakruiter aangebracht die geheel van hout is vervaardigd en met lood bekleed. De contreforten tegen de absis- en transeptmuren, die immers hoger zijn dan de muren van het schip, zijn viermaal versneden.
Alle ramen zijn spitsboogvormig en hebben een natuurstenen tracering. De ramen van het schip hebben twee stijlen, de tweemaal zo grote transeptramen drie en de smalle absisramen één. Van alle ramen bevinden de dorpels zich op dezelfde hoogte, behalve van het raam aan de westkant van de toren dat hoger en het raam van het transept dat lager begint. De ramen in de westgevel zijn even groot als de blinde nissen in de zijkant van de toren.
In het dak van de kerk zijn drie kleine dakkapellen geplaatst: twee aan weerszijden halverwege het schip en nog een boven de absis. De cordonlijsten van de toren lopen door over de westgevel. Deze westgevel bevat ter weerszijden van de toren behalve een raam ook een schuin naar de toren oplopende blinde arcade met een natuurstenen tracering, gelijk aan die van de arcade van de toren. Op de hoeken van de westgevel zijns steunberen aangebracht met dezelfde soort van blinde nissen als die van de toren. Deze steunberen worden tezamen met de hoekcontreforten van het schip, bekroond door natuurstenen pinakels.
De kerk is in de loop der jaren verschillende malen gerestaureerd, waarbij het gebouw aan de westzijde nogal is gewijzigd. Zo heeft de architect A. Tepe in1887 aan weerszijden van de toren tegen de westgevel twee kapellen gebouwd, waardoor de beide ramen in deze gevel zijn komen te vervallen. Verder zijn de pinakels op de hoeken verdwenen, terwijl de vier luchtbogen aan de toren op de klokkenverdieping zijn vervangen door ingezwenkte steunberen. Bij de meest recente restauratie, in 1970, is onder andere het grote raam in de toren dichtgemetseld, waarbij voor enige lichtval gebruik is gemaakt van glasstenen. De van oorsprong natuurstenen raamtraceringen zijn inmiddels grotendeels vervangen door gewapend beton; slechts bij de ramen van de absis en het zuidelijk transeptraam is nog de oorspronkelijke tracering in natuursteen bewaard.
De dakgoten langs de daken van transept, priesterkoor en absis bestaan nog uit het oorspronkelijke gietijzer. De goten langs de zijbeuken bestaan thans uit een houten betimmering met een bekleding van zink.
De oorspronkelijke houten balustrade van de torentrans blijkt thans in gewapend beton te zijn uitgevoerd.

INTERIEUR
Bij het betreden van de kerk valt direct de grote helderheid van het interieur op, hetgeen te danken is aan het wit geschilderde muurwerk, de pijlers en de gewelven. Zoals reeds vermeld heeft het schip een lengte van vijf traveeën, die worden gescheiden door slanke bundelpijlers. De kern van de acht pijlers in het schip bestaat uit een 14m lange dennenhouten kolomstijl van 30 x 30cm, die betimmerd is met houten ribben en geplaatst op een hardstenen voetstuk. De vier kruisingspijlers zijn daarentegen geheel gemetseld. Het schip, het koor en de zijkapellen zijn overdekt met vierdelige kruisribgewelven, de kruising met een stergewelf en de absis met een straalgewelf.
De onderkant van de gewelven in de zijbeuken bevindt zich op 10m, ter hoogte van de bovenkant van de zijmuren, die van de gewelven in het schip, transept en koor op 15,30m, ruim een halve meter boven de bovenkant van de muren van deze ruimten. De schalken van de pijlers waarop de gewelfribben steunen, worden bekroond door opengewerkte koolbladkapitelen. In de ringvormige sluitsteen van het gewelf is een opengewerkte rozet aangebracht.
Dat timmerman en stucadoor een zeer grote bijdrage aan de totstandkoming van het interieur hebben geleverd, wordt duidelijk als men zich realiseert dat het gehele inwendige van de kerk, inclusief de gewelven, is bestreken met pleister. De gewelven bestaan geheel uit houten delen waarop met koperdraad maasriet is bevestigd. Dit hout- en rietwerk werd bestreken met een mengsel van twee delen kalk en één deel zand alsmede een hoeveelheid varkenshaar. Op deze laag van ongeveer 1cm werd na verloop van enige tijd nog een even dikke laag van kalk, zand en Rouaanse pleister aangebracht. Ook alle pijlers en de vele blinde nissen met houten traceringen alsmede de verschillende ornamenten werden op deze wijze behandeld.
Vlak boven de scheibogen is één doorlopende lijst aangegeven, die slechts onderbroken wordt door de transept- en absisramen. Direct boven deze lijst zijn de blinde nissen aangebracht. Ook langs de onderkanten van de ramen loopt een dergelijke lijst. De muurvlakken onder deze laatste lijst zijn vlak afgestreken.
De absis wordt gedomineerd door een hoog gemarmerd houten retabel, dat voor een groot gedeelte het zicht op de ramen hierachter beneemt. De vijf lange, smalle absisramen hebben alle een verschillende tracering in de kop. Ook halverwege de ramen bevindt zich nog een natuurstenen tracering.
 Oorspronkelijk stonden ook in de zijkapellen tegen de oostwand twee altaren opgesteld. Het linkeraltaar was gewijd aan St. Bavo, het andere aan St. Jozef. Deze altaren zijn in 1970 verwijderd, tezamen met de preekstoel die tegen een kruisingspijler was opgesteld.
Vlak na het gereedkomen van de kerk stroomde het licht van alle zijden door de glas-in-loodramen, voorzien van wit Frans glas, vrijwel ongehinderd het kerkgebouw binnen, doch enige jaren later heeft men gebrandschilderde ramen geplaatst. Sedert de restauratie van 1970, toen het grote torenraam werd dichtgemetseld, heeft het houten roosvenster in de westelijke wand geen functie meer. Overigens werd dit venster reeds gedeeltelijk aan het oog onttrokken door het in 1866 geplaatste Ypma-orgel.
Over de volle breedte is tegen de westelijke wand een zangerstribune gebouwd, die de gehele eerste travee van het schip overdekt. De tribune die zich ter hoogte van de onderzijde van de ramen bevindt, heeft in het middenschip een vooruitspringend gedeelte. In het middenschip wordt de tribune ondersteund door twee zuiltjes. Onder de tribune zijn drie Tudorbogen en twee spitsbogen aangebracht, die evenals de houten balustrade versierd zijn met drie- en vierpasmotieven alsmede florale ornamenten. Tegen de onderzijde van de tribune zijn kruisribgewelven aangebracht, waarvan de middelste een stergewelf is.
In de eindgevels van het transept zijn twee biechtstoelen geplaatst, die naar buiten zijn uitgebouwd.
Oorspronkelijk bezat de kerk een houten vloer.

WAARDERING
Toen het Overveense kerkbestuur een kerk in gotieke stijl bestelde bij de architect Theo Molkenboer wist het wat het kon verwachten. Molkenboer bouwde net zo gemakkelijk gotische als romaanse of classicistische kerken. Bij hem duidden de bouwordes louter op een decoratief systeem, daar immers de stucadoor elke gewenste vorm zou kunnen modelleren. De keuze van Molkenboer was, zoals we ook later nog zullen zien, zeker begrijpelijk. De architect stond in deze periode hoog aangeschreven en had vooral naam gemaakt met zijn Redemptoristenkerk (1854) in Amsterdam.
Bij nadere beschouwing van de Overveense kerk valt allereerst de toren op, die, hoewel karakteristiek, toch niet het meest geslaagde onderdeel mag worden genoemd. De tamelijk forse onderbouw wordt hier bekroond door een nogal smal uitgevallen klokkenverdieping, die op een zeer ongebruikelijke manier door luchtbogen wordt ondersteund. Het geheel maakt een tamelijk onevenwichtige indruk. Het lijkt alsof de smalle bovenverdieping voor een deel in de onderbouw van de toren is gezakt. De vele pinakels op de toren en de westgevel, alsmede de beide spitsen wijzen als scherp geslepen potloden naar de hemel en compenseren als zodanig het gedrukte en plompe van de westzijde.
De versierende elementen zijn louter beperkt tot het westelijke front, want de overige muren zijn slechts geleed door de steunberen.
Het muurwerk maakt, zoals bij vrijwel alle 19de-eeuwse gebouwen een nogal doodse indruk door het gebruik van de grauwe steensoort.
De steunberen tegen de muren hebben geen constructieve functie aangezien de houten gepleisterde gewelven geen zijwaartse druk uitoefenen. Ook het grote glas-in-loodraam in de toren kan nauwelijks functioneel genoemd worden, aangezien het voornamelijk licht geeft op de binnenwanden van de toren.
We hebben reeds vermeld dat het inwendige van deze kerk niet uit het exterieur valt af te leiden. Het grote zadeldak overdekt immers een middenschip met twee lagere zijbeuken.
Het interieur van de kerk blijkt wel het meest te voldoen. De indruk bij het binnentreden is er een van helderheid, ruimte en overzichtelijkheid. Het maaswerk in de ramen en de nissen aan de buitenzijde wezen reeds op het gebruik van elementen uit de hooggotiek, ook in het interieur zien we dezelfde traceringen terugkeren, terwijl Molkenboer zich ook door de hooggotiek liet inspireren bij het ontwerpen van de bundelpijlers, de kapitelen alsmede de gewelven. Daarnaast komen ook laatgotische motieven voor zoals de Tudorbogen onder de zangerstribune en de stergewelven. Het roosvenster in de westgevel van de kerk is, zoals reeds eerder gezegd, nauwelijks functioneel gebruikt.
Molkenboer verhult ook eigenlijk niet dat hij gotische vormen en elementen in stuc slechts imiteert. Als we de tribunepartij beschouwen dan vallen de tegen de pijlers aangeplakte consoles op die zich onmiddellijk laten raden als gegoten vormen. Verder is het centrale stergewelf onder de tribune zó plat dat het moeilijk als een stenen gewelf laat denken. Verder maken natuurlijk de schoren tegen de kleine colonnetten onder de tribune direct duidelijk dat de constructie geheel van hout is. Naast het gebruik van hout en pleister als oneigenlijke materialen om steen te suggereren, gebruikte Theo Molkenboer ook gietijzer, hoewel niet overvloedig. Met name zien we dit materiaal bij de kruisbloemen die alle van de hand van de smid zijn.
Geplaatst in het oeuvre van Theo Molkenboer blijkt de Overveense kerk qua interieur een vrij getrouwe herhaling te zijn van de St. Walburgiskerk te Arnhem. Van 1853 tot 1855 heeft Molkenboer deze 14de-eeuwse kerk behoorlijk onderhanden genomen. Hij bracht er stuchouten kruisribgewelven in aan en liet de rechthoekige pijlers afkappen en tot bundelpijlers modelleren. Dit alles had rampzalige gevolgen, want op 8 november 1854 stortte de noordelijke toren in . Dit drama mocht echter niet verhinderen dat Molkenboer toch opnieuw de opdracht kreeg om de restauratie voort te zetten. Ook de Walburgiskerk bezit een rechthoekige plattegrond en een pseudo-transept, terwijl het hooggotische maaswerk in de nissen en de vensters sterk geleek op dat van Overveen.
Het Overveense kerkgebouw valt slechts te begrijpen als we de architectuur van die dagen kennen, alsmede de filosofie van de opdrachtgevers. Zoals in het eerste hoofdstuk is uiteengezet, waren de katholieken na een lange periode van onderdrukking en achterstelling bevrijd van het juk en wilden zij niets liever dan zich nadrukkelijk manifesteren. Na een tijdperk waarin de kerken niet als zodanig herkenbaar mochten zijn, brak voor hen nu een tijd aan waarin zij met hun gebouw mochten pronken. Als wij hierbij echter voegen het feit dat het katholieke volksdeel over het algemeen niet erg draagkrachtig was, dan kan hun bouwijver en offerbereidheid om dit zelfbewustzijn gestalte te geven, louter worden verklaard vanuit een diepe geworteld geloof. Als we in de memoriaalregisters lezen dan handelen de bladzijden die gewijd zijn aan de bouw van de nieuwe kerk vrijwel uitsluitend over de financiële perikelen. Het verhaal in alle parochies is nagenoeg steeds hetzelfde. Met vele collectes en leningen moest het benodigde geld bijeen geschraapt worden. Over de stijl waarin de kerk moest worden gebouwd, maakte men zich nauwelijks enige zorgen. De vermelding “een fraaie kerk in gotische of romaanse stijl” is veelal het enige dat vermeldenswaard werd geacht. In een tijd waarin nauwelijks of geen sprake was van een kerkelijke bouwtraditie was bouwen niet het tot stand brengen van een verantwoorde en logische constructie, maar het goochelen met quasi klassieke vormen volgens een gangbaar recept. Verder verklaart de wens om een indrukwekkend bedehuis te laten verrijzen tegen vaak minimale kosten, waarom de architecten in deze tijd een bepaalde stijl niet verbonden met de daarbij behorende constructie, doch louter met de ornamentiek. Het succes was vrijwel steeds bij voorbaat verzekerd. Wie had er immers in een dorp als Overveen verstand van architectuur? Een ieder vergaapte zich na de voltooiing van de bouw in deze landelijke omgeving aan een indrukwekkende kerk, die al snel de herinnering aan het benauwde schuilkerkje kon doen verbleken. Dat elk ornament door haar karakter de constructieve functie uitdrukt van het bouwonderdeel waarop het is aangebracht, interesseerde eigenlijk niemand.
Tot de weinigen die zich wel diepgaand bezighielden met de studie van de middeleeuwse architectuur behoorde in elk geval J.A. Alberdingk Thijm, die niet naliet te hameren op de schijnvertoning van dit soort van kerkelijke bouwkunst. Met hem en de architect P.J.H. Cuypers breekt dan ook de periode aan waarin van een echte doordachte herleving van de gotische bouwkunst kan worden gesproken.
Molkenboer echter bleef zijn vertrouwde en zeker ook succesvolle recept trouw en waagde zich niet aan experimenten met stenen overwelvingen, zoals Cuypers dit voor het eerst in 1854 deed. Waarom zou Molkenboer ook, want met zijn beproefde methode was hij in staat om voor elke beurs toch een voor die dagen steeds imponerend en hogelijk gewaardeerd kerkgebouw te plaatsen. Ook de kerk van Overveen past volkomen in het historische beeld van een ontluikende katholieke emancipatie, waarin men één oog hield gericht op het middeleeuwse verleden, doch het andere hield gefixeerd op de veelal smalle beurs.
Afgezien van alle gememoreerde feilen is de Overveense kerk een sfeervol en intiem gebouw. Vooral het inwendige toont een rustig en harmonieus geheel en maakt de kerk tot een van de betere in het omvangrijke oeuvre van de Leidse architect.
We mogen ons gelukkig prijzen dat de kerk is ontkomen aan het wijd verbreide streven van de neogotiek om het interieur te polychromeren. Met haar witte ongerepte interieur doet de kerk de naam van Onbevlekte Ontvangenis alle eer aan. Ondanks de diverse verbouwingen en moderniseringen die in de loop der jaren zijn aangebracht, ademt de Overveense kerk nog steeds de sfeer uit de periode van de bouw, namelijk die van een dorpse kerk met gotische allures.
Dat het verder niet alléén maar droef gesteld was met de bouwkundige kennis in die dagen mag blijken uit het feit dat de kerk qua constructie redelijk solide is . Toen pastoor L. ten Brink, de opvolger van de bouwpastoor Schoonderbeek, in 1887 ernstig de bouw van een nieuwe kerk overwoog en daarvoor het oordeel vroeg van de architect A. Tepe, antwoordde deze; “Ik verdien gaarne geld en zou liever nog een nieuwe kerk bouwen, maar ’t is mij niet mogelijk u te verzekeren, dat hetgeen ik leveren zal zo solied en voor de menschen zoo aangenaam zal zijn als deze kerk van Molkenboer” .
 

 5.    THEO MOLKENBOER EN ZIJN OEUVRE

Hoewel Theo Molkenboer een van de belangrijkste kerkelijke architecten van de 19de eeuw is geweest, zijn de biografische gegevens over hem bijzonder spaarzaam. Molkenboer aanschouwt het levenslicht op 6 november 1796 te Rijnsaterwoude  en overlijdt op 11 december 1863 in Leiden . Zijn vader, Arnoldus Molkenboer, was inspecteur van de drooggemaakte polders van Nieuwveen en Zevenhoven . In 1822 trouwt hij, waarschijnlijk in Oegstgeest, met de uit Hoorn afkomstige Mathilde Kaag . Op dat moment is Theo Molkenboer werkzaam als timmerman en aannemer. Het eerste werk dat hij naar onze gegevens als aannemer heeft uitgevoerd, is het Fysisch Laboratorium te Leiden, dat door J. Dobbe als opzichter van de universiteitsgebouwen was ontworpen . Molkenboer neemt dit werk in 1823 aan. In datzelfde jaar wordt hij aangenomen als ordinair lid van het genootschap Mathesis Scientiarum Genitrix, opgericht in 1785, aan de Pieterskerkgracht te Leiden . Hij bedankt in 1841.
In 1827 tekent Molkenboer in op een ontwerp van S. v.d. Pauw om in de Hooglandse kerk van Leiden een “binnenkerk” te bouwen . Hij blijkt de laagste inschrijver docht het project wordt nimmer uitgevoerd.
Het is bepaald opmerkelijk dat het eerste optreden van Molkenboer als architect, voor zo ver valt na te gaan, wordt gemarkeerd door het ontwerpen van drie imposante kerken in zijn woonplaats Leiden. In het jaar 1832 maakt hij in opdracht van pastoor P.A. Kervel, de latere Aartspriester van Holland, Zeeland en West-Friesland, een ontwerp voor de St. Petruskerk . Deze neoclassicistische zaalkerk wordt in 1835 voltooid. De met een tongewelf, voorzien van cassetten, overdekte ruimte vertoont sterke gelijkenis met het interieur van de in 1808-9 door C.J.F. Giudici herbouwde Lodewijkskerk. Dat het geheel slechts een spel van klassieke elementen is, in hout uitgevoerd en bedekt met pleister, was, zoals we reeds in hoofdstuk 2 hebben gezien, bepaald niet ongewoon in die dagen. De eerste kerk van Molkenboer heeft de eeuwen niet kunnen trotseren want in 1933 brandde hij af. Restanten van de kerk zijn thans nog zichtbaar in de brandweerkazerne die op de plaats van de kerk, aan de Langebrug, is gebouwd.
In 1835, het jaar waarin de Petruskerk wordt voltooid, ontwerpt Theo Molkenboer de niet minder imposante Hartebrugkerk, eveneens in neoclassicistische stijl. Wellicht heeft bij de keuze van de architect nog een rol gespeeld dat zijn oom, een koekenbakker van beroep en lid van een sociëteit voor deftige burgers , een huisvriend was van de bouwpastoor. Ook in deze zaalkerk, overdekt door een tonvormig cassettegewelf, rustend op een kroonlijst die wordt gedragen door vrijstaande zuilen op hoge sokkels, zien we verwantschap met de Lodewijkskerk. De façade toont een zuilenportiek boven de ingangspartij en wordt bekroond door twee open torentjes bovenop elkaar. In het archief van deze kerk bevindt zich een notitie van Molkenboer met de maten van drie Leidse kerken, te weten zijn beide genoemde kerken alsmede de Lodewijkskerk .
In 1837 ontwerpt Molkenboer zijn derde Leidse kerk: de neogotische Mon-Père kerk voor de Franse Karmelieten . Met deze in Engels gotische stijl ontworpen driebeukige hallekerk, overdekt met stucgewelven, mag Molkenboer als een van de trendsetters van de stucadoorsgotiek worden beschouwd. Zoals we reeds in hoofdstuk 2 zagen, ontwerpt Chr. Kramm in deze zelfde tijd gelijksoortige kerken . Over relaties tussen deze beide architecten tasten wij in het duister. De Mon-Père kerk zou tot grote verontwaardiging van vele Leidse katholieken in 1937 worden verbouwd tot zwembad en in 1979 worden gesloopt .
Het komt tamelijk vreemd voor dat we na deze Leidse periode gedurende enige jaren niets meer van de architect horen. In 1840 ontwerpt hij wel de fabriek Le Poole aan de Garenmarkt te Leiden , maar eerst in 1842 doet hij weer van zich spreken op het gebied van de kerkenbouw. Hij krijgt in dat jaar de opdracht tot het ontwerpen van een uitbreiding van het seminarie te Warmond. In 1843-44 verrijst aldaar de neogotische kapel. In de bouwcommissie, die de opdracht verstrekt, hebben onder anderen zitting: eerder genoemde Kervel en ook Van Vree, de latere bisschop van Haarlem . Bij de verbouwing van het seminarie  komt Theo Molkenboer het werk tegen van Giudici,die het gebouw in 1821 had verbouwd . Het houten torentje boven de hoofdingang is door deze Lombardische architect ontworpen. We zullen meermalen een dergelijk houten klokkentorentje de kerken van Molkenboer zien bekronen.
In deze zelfde tijd ontvangt Molkenboer de opdracht voor de bouw van het seminarie Kuilenburg van de Jezuïeten . Ook in 1856 zal hij nog een uitbreiding van dit complex voor zijn rekening nemen . Uit welke tijd de neoclassicistische kapel dateert is niet duidelijk. Het interieur zullen we vrijwel ongewijzigd terugzien in het seminarie te Voorhout.
In 1843 vraagt pastoor E.S. van der Haagen te Zoeterwoude Molkenboer een soortgelijke kerk voor zijn parochie te bouwen als de Leidse Mon-Père kerk . Ook deze Zoeterwoudse kerk, die overigens eenbeukig is, is sterk geïnspireerd op de Engelse gotiek. We zien Tudorbogen en langs de gehele zijgevels pinakels.
Het jaar 1843 is van groot belang voor de bouwmeester Molkenboer, want op 13 juni van dat jaar wordt door de inmiddels Aartspriester geworden Kervel een commissie in het leven geroepen. Deze commissie dient adviezen uit te brengen met betrekking tot de bouwzaken in het aartspriesterschap, aangezien de pastoors, zo schrijft Kervel aan de vice-superior Ferrieri, van bouwen toch geen enkel verstand hebben. In deze commissie nemen zitting: Theo Molkenboer als voorzitter en de pastoors Van der Haagen uit Zoeterwoude en Te Mey, de bouwpastoor van de Mon-Père kerk .
We zien dat Molkenboer niet stil heeft gezeten om zijn tuintje te bemesten. Links en rechts heeft hij inmiddels enige belangrijke contacten weten te leggen. Allereerst is zijn plaats in de genoemde commissie vanzelfsprekend van eminent belang, daarnaast zijn bekendheid in de opleidingsinstituten van Warmond en Kuilenburg, waaraan hij later nog het seminarie Hageveld te Voorhout zou toevoegen, en vervolgens zijn contacten met de Minderbroeders, voor wie hij de Hartebrugkerk had gebouwd. De relatie met de aartspriester Kervel en diens opvolger Van der Haagen zouden hem bepaald geen windeieren leggen.
Van zijn optreden als lid van de adviescommissie zijn verschillende voorbeelden bekend. Zo adviseert hij in 1843 Kervel over de kerk van Middelburg  en in 1844 over die van Ooltgensplaat . Molkenboer kraakt dit laatste ontwerp tot en met de begroting toe, die hij veel te laag gesteld vindt. Dit laatste verwijt, een te krappe begroting, zal Molkenboer overigens zelf meer dan eens ten deel vallen van de hoofdingenieur van Waterstaat.
Na in 1845 nog een pastorie in Bodegraven te hebben ontworpen , zet Molkenboer in datzelfde jaar voet in West-Friesland, alwaar hij het bepaald niet bij één kerk zou laten. Voor de parochie van Oosterblokker ontwierp hij een eenvoudig neoclassicistisch zaalkerkje . De façade van deze kerk, met zijn iets vooruitspringende middenrisaliet, bekroond door een houten klokkentorentje, zullen we nog vaker tegenkomen.
In 1845 koopt Kervel, als Aartspriester, het landgoed Schoonoord bij Voorhout  om aldaar het kleinseminarie Hageveld, dat voordien in Velzen was gevestigd, te bouwen, aangezien het dan meer in de buurt van een waterweg of spoorlijn zou komen te liggen. Molkenboer ontwerpt het geheel, inclusief de kapel, in neoclassicistische stijl. De kapel vertoont sterke gelijkenis met die van Kuilenburg. Het gehele complex is in 1980 gesloopt en diverse onderdelen zijn thans verwerkt in het interieur van café-restaurant De Branderij te Leiden.
Intussen is in 1846 de neogotische kerk van Zeist voltooid . Ook hier zien we weer een driebeukige hallekerk met zuilen voorzien van koolbladkapitelen, evenals in de Leidse Mon-Père kerk. De eenvoudige vlakke puntgevel, bekroond met een houten spitsje, zullen we later nagenoeg ongewijzigd tegenkomen in Bolsward en Noordwijkerhout.
Bij de afbraak van de kerk in Zeist, in het voorjaar van 1981, viel duidelijk te constateren dat de zuilen bestonden uit een houten kern omkleed met metselwerk en pleister. Ook de vele houten schenkels kwamen bij die gelegenheid onverbloemd te voorschijn.
Het jaar 1846 is een druk jaar voor Molkenboer, want hij is dan met maar liefst vijf kerken tegelijk bezig, iets wat hij overigens nog wel vaker zou presteren. In Amersfoort vergroot hij de driebeukige neoclassicistische, uit 1820 daterende Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming kerk . Hij heeft met deze verbouwing waarschijnlijk wel enige inspiratie opgedaan, want het type van de driebeukige kerk met zuilen die een tongewelf dragen en zijbeuken die een vlakke zoldering hebben, zullen we nog enige malen bij hem tegenkomen. Enige jaren later, in 1851 zal hij eveneens te Amersfoort de Franciscus Xaverius kerk, een soortgelijk gebouw, verbouwen .
Zoals we reeds zagen had Molkenboer voor de Minderbroeders reeds de Hartebrugkerk in Leiden ontworpen. In 1846 ontwerpt hij voor deze orde de Franciscus van Assisi in Bolsward, een driebeukige neogotische kerk van het halle-type, met een interieur à la dat van de Mon-Père . Voor het eerst bouwt Molkenboer een wat forsere torenpartij. De bekroning echter bestaat nog uit een achtkantige houten klokkentorentje. Ten slotte verrijst dan nog in 1846 in Oud-Ade het, naar onze gegevens goedkoopste kerkje, dat echter door zijn zeer slechte fundering slechts twintig jaar heeft gestaan. De koppen van de palen zaten namelijk slechts 75cm onder de grond terwijl dit zeker drie meter had moeten zijn . De kerk zou dus in 1866 reeds worden afgebroken, doch dit zou Molkenboer niet meer kunnen deren aangezien deze op dat moment al drie jaren dood was.
De kerk in Zwolle, waarvoor in 1848 de eerste steen wordt gelegd, is wellicht slechts gedeeltelijk aan Theo Molkenboer toe te schrijven . In elk geval past deze kerk met de classicistische façade voor een klassiek en gotisch interieur toch niet geheel in het repertoire van de Leidse bouwmeester, hoe gevarieerd dit ook was. Er blijken diverse malen plannen te zijn gemaakt en weer gewijzigd . Wellicht is aan Molkenboer op het laatst gevraagd enige wijzigingen in het ontwerp te maken en de begroting op te stellen. De façade toont een vlakke gevel met een iets uitspringende ingangspartij die wordt gemarkeerd door Toscaanse zandstenen muurzuilen met daarboven een houten fronton. De voorgevel is een decoratief scherm dat de indeling van het achterliggende schip nauwelijks volgt . In de driebeukige kerk zijn ook galerijen aangebracht.
Dat alles niet steeds van een leien dakje ging, toont ons de bouwgeschiedenis van de kerk van Lutjebroek . Reeds in het jaar 1845 stelt Molkenboer een plan op, maar de hoofdingenieur van Waterstaat in Nood-Holland, E. de Kruijff, uit verschillende bedenkingen , waardoor de gevraagde subsidie niet wordt verleend. Tussenkomst van Aartspriester Kervel brengt geen oplossing en het is uiteindelijk diens opvolger Van der Haagen, de vroegere pastoor van Zoeterwoude, die de zaak forceert. Schoorvoetend gaat Molkenboer er in 1847 toe over om een nieuw plan te maken . Hoewel de aard van de bedenkingen uit de correspondentie niet blijkt, mogen we wel aannemen dat het de lichte constructie en mogelijk ook het heien zijn geweest. Bedenkingen tegen de al te lichte constructie van Molkenboer’s kerken zullen we in het vervolg nog wel eens tegenkomen. Aangezien voor de bouw van de kerk van Lutjebroek rijkssubsidie wordt verleend dient de aanbesteding in het Bureau van het Provinciaal Gouvernement te Haarlem te geschieden . Daar het werk wordt afgemijnd op een veel hoger bedrag dan het begrote, wordt de zaak onderhands geregeld en komt Molkenboer met dezelfde aannemer op de proppen die ook de kerk van Oud-Ade bouwde . Net als deze kerk van Oud-Ade zou ook de kerk van Lutjebroek geen lang leven zijn beschoren. Na dertig jaar dienst te hebben gedaan bleek het gebouw te klein en mocht P.J.H. Cuypers het slopen om er een nieuwe kerk te bouwen, hoewel ook Molkenboer’s neef Th. Asseler, de opzichter bij de bouw van de kerk te Overveen, nog een plan heeft ingediend .
Eveneens in het jaar 1848  wordt een begin gemaakt met de bouw van de kerk van Poeldijk met een interieur à la dat van de Mon-Père, doch met een tamelijk afwijkende voorgevel, een puntgevel geflankeerd door twee torens met pinakels op de hoeken.
Het hierna volgende jaar komen we Molkenboer weer in Bolsward tegen. Drie jaren na zijn kerk voor de Minderbroeders bouwt hij nu de Martinuskerk, een driebeukige gotische hallekerk van het type van de kerk van Zeist.
Over de Dominicuskerk in Utrecht bestaat nogal wat onzekerheid. Molkenboer zou in 1848 enige wijzigingen aan een reeds in 1845 gemaakt plan hebben aangebracht . Nu bevinden zich in het tekeningenarchief van de St. Jan in 's-Hertogenbosch een plattegrond en doorsnede van de Utrechtse kerk uit 1849 met de naam van Th. Molkenboer . Hoe deze tekeningen daar terecht zijn gekomen is niet duidelijk. Wellicht via de leider van de restauratiewerkzaamheden van de St. Jan, S.L. Veneman in de periode 1859 tot 1866 . Het atelier van Veneman heeft meer dan eens meubilair voor de kerken van Molkenboer mogen leveren en dientengevolge tekeningen van Molkenboer in bezit gehad .
Het contact met de Dominicanen levert Molkenboer meteen een nieuwe opdracht op, namelijk in Leeuwarden, alwaar hij in 1850 een neoclassicistische kerk met galerijen ontwerpt . De Ionische zuilen dragen stuchouten kruisribgewelven.
In 1853 treffen wij Molkenboer opnieuw in Leeuwarden aan met een plan voor de Franciscuskerk voor de orde der Minderbroeders, doch door opheffing van deze parochie blijft het bij een ontwerp .
In 1849 is de Leidse architect weer in West-Friesland waar de thans op de monumentenlijst staande kerk van Westwoud verrijst . Deze neoclassicistische kerk met een tamelijk forse toren toont ons een interieur met Ionische zuilen en gestucadoord houten kruisribgewelven. Deze zelfde combinatie van neoklassiek en neogotiek treffen we ook aan in het interieur van de Mozes en Aäron kerk te Amsterdam, die is ontworpen door de Belgische bouwmeester T.F. Suys in 1839. Ook daar zien we imposten boven de kapitelen, die in Amsterdam Corinthisch zijn en in Westwoud Ionisch, doch zoals we weten zijn dit louter gegoten gipsvormen die tamelijk willekeurig konden worden aangebracht. Het interieur van de kerk van Westwoud is geheel gaaf bewaard gebleven docht het gebouw heeft veel achterstallig onderhoud.
Voor de kerk van Noordwijkerhout komt Molkenboer met exact hetzelfde plan als dat van de Martinuskerk te Bosward. De kerk wordt dan ook voor nagenoeg hetzelfde bedrag gebouwd.
Rond dezelfde tijd ontwerpt Molkenboer de kerk van Westerblokker, een klein neoclassicistisch kerkje voor slechts 200 zitplaatsen . De Ionische zuilen dragen een tongewelf. De façade lijkt op die van haar buurvrouw in Oosterblokker.
Reeds in het vorige hoofdstuk hebben we melding gemaakt van de desastreuze restauratie door Molkenboer van de 14de-eeuwse Walburgiskerk te Arnhem. De oorspronkelijke stenen gewelven waren in de 17de eeuw vervangen door houten zolderingen. In 1853 neemt Molkenboer de zaak onderhanden en hoe! Hij ontwerpt gotische stuchouten kruisribgewelven, laat de karakteristieke vroeggotische rechthoekige pijlers eenvoudigweg rond afkappen en beplakken met bakstenen colonnetten, die besmeerd met pleister, en brengt op de tot dan toe onversierde muren blinde traceringen in stuc aan en voorziet de kapitelen en gewelfaanzetten van bladkapitelen van hetzelfde materiaal. Het resultaat kennen we . Ondanks een klemmend beroep van Alberdingk Thijm in de Dietsche Warande  om de herstelwerkzaamheden niet wederom aan een volslagen ondeskundige als Molkenboer over te laten, blijkt het vertrouwen in de Leidenaar niet geschokt en volvoert hij de restauratie die na voltooiing de Godsdienstvriend een grote lofprijzing ontlokt: “zijn in vroegere tijden vele oude schoone gebouwen door wansmaak bedorven, de St. Walburgiskerk kan tot voorbeeld dienen, hoe zij wederom in vorigen luister hersteld kunnen worden” . Zoals al eerder gezegd toont het gerestaureerde interieur sterke overeenkomst met dat van de kerk van Overveen. De Arnhemse kerk is na de Tweede Wereldoorlog in haar oorspronkelijke staat hersteld, echter met behoud van het aangebouwde priesterkoor .
Intussen verrijst in Krommenie weer een neoclassicistische kerk à la die van Westerblokker. Ook hier lezen we dat hoofdingenieur E. de Kruijff aanmerkingen maakt op het ontwerp  ten aanzien van de zijns inziens te lichte constructie. Deze bedenkingen wekken eigenlijk geen verbazing. In de kleine, veelal arme plattelandsparochies moesten de geldelijke middelen cent voor cent bijeen worden gesprokkeld. De opdracht aan een bouwmeester luidde dan ook steevast om zo zuinig mogelijk te begroten en er desondanks toch een fraai bedehuis voor te ontwerpen. Dat een en ander dikwijls ten koste van de hechtheid van het gebouw is gegaan laat zich raden. Molkenboer stond erom bekend dat hij voor elke prijs wel een waardig gebouw zou kunnen ontwerpen. We zullen hem dan ook nog wel eens andere architecten zien aftroeven met zijn voordelige aanbiedingen.
Gelijktijdig met de kerk van Krommenie wordt de kerk van het Westfriese gehucht ’t Veld gebouwd in de gebruikelijke neoclassicistische vormen . Slechts brede horizontale banden en lijsten aan de voorgevel, gelijkend op Westwoud, doen de kerk afwijken van eerder genoemde gevels.
In deze tijd vindt ook de verbouwing plaats van de Catharina kerk in Amsterdam, die in 1817-20 was gebouwd, waarschijnlijk door Suys. Wat de verbouwing van deze neoclassicistische kerk met galerijen precies heeft ingehouden, is niet duidelijk, doch gezien de prijs van 30 mille is het geen kleinigheid geweest . Voor dit bedrag en nog wel minder bouwde Molkenboer immers een geheel nieuwe kerk.
Reeds in 1852 maakt Molkenboer de tekeningen voor wat door sommigen wel zijn beste werk wordt genoemd, de Redemptoristen kerk in Amsterdam. Van deze kerk is bekend dat zij naar het voorbeeld van de Redemptoristenkerk van Mons in Henegouwen is ontworpen . Deze kerk dateerde uit 1848 en was van de hand van de architect P. Ritzingen, een Redemptorist. Of Molkenboer een reisje naar België heeft gemaakt of dat hij slechts naar tekeningen of prenten heeft gewerkt is niet bekend. Feit is wel dat de kerk van Mons stilistisch beter in elkaar zit; de kerk is onder andere ook in steen overkluisd. De Amsterdamse kerk aan de Keizersgracht geldt als het vroegste voorbeeld van een op de 13de-eeuwse Franse gotiek geïnspireerde kerk, met zijn driedelige wandopbouw van arcade, triforium en lichtbeuk. Maar we treffen in het inwendige ook elementen aan uit de latere gotiek, zoals het stergewelf en de Tudorbogen. Zoals we bij vele kerken van Molkenboer zien, komt het grote roosvenster uit op de zoldering, waarvoor dan nog het orgel is geplaatst. Het middendeel van de façade vertoont overeenkomsten met de transept- en voorgevels van Franse kathedralen en de Keulse Dom. De kerk oogst veel lof van de Godsdienstvriend en zelfs Alberdingk Thijm kan enige waardering opbrengen . Ook de literator Potgieter is gematigd positief in zijn oordeel .
Naast de Amsterdamse kerk heeft Theo Molkenboer in deze tijd ook in Hilversum de St. Vituskerk onderhanden. De plannen behelzen een nieuwe westgevel met toren en dwarsschip met koor, waartussen dan de oude kerk blijft staan . Een kleine twintig jaar na de Leidse Hartebrugkerk krijgt Molkenboer hier weer eens de gelegenheid een onvervalste neoclassicistische gevel met pilasters en een groot fronton te laten bouwen. De bekroning met een klokkentorentje boven dit fronton laat weer het gebruikelijke type zien. De kerk zou in 1890 plaats moeten maken voor de huidige, door P.J.H. Cuypers ontworpen Vituskerk.
In 1854 wordt dan de eerste steen gelegd voor de nieuwe kerk van Overveen, waaraan we reeds ruimschoots aandacht hebben geschonken. Voor de eerste maal bouwt Molkenboer hier een zware, aan drie zijden vrijstaande toren.
De bouwgeschiedenis van de kerk van Roelofarendsveen is bijna een roman waardig. In het parochiearchief wordt een handgeschreven relaas bewaard, waaruit blijkt dat het kerkbestuur reeds in 1851 spreekt over een nieuw te bouwen kerk . Aangezien het dorp de sfeer van vroegere tijden ademt, opteert men voor de gotieke bouwstijl, doch aarzelt omdat men vermoedt dat een gotische kerk duurder zal uitvallen dan een in een andere orde. Men wordt gerustgesteld en geeft de opdracht aan C. Dobbe, doch een calamiteit bij de bouw van de kerk van Leimuiden, die deze Dobbe tegelijkertijd onderhanden heeft, kost hem zijn reputatie. Nog tijdens de bouw scheuren reeds de muren van de kerk in Leimuiden. Dobbe wordt bedankt en op advies van de Aartspriester Van der Haagen verschijnt Molkenboer ten tonele. Wij herinneren ons op dit moment dat beide heren samen in de adviescommissie voor de bouw van nieuwe kerken in het aartspriesterschap zitting hadden. Molkenboer lijkt af en toe wel Haarlemmer olie, want meer dan eens verschijnt hij als de reddende engel. De aannemer in Roelofarendsveen blijkt echter geen voortvarende bouwer want met zeer grote vertraging komt de bouw gereed. Het lukt Molkenboer niet om de aannemer tot grotere spoed te bewegen en men roddelt in het dorp over een coalitie tussen architect en aannemer. Overigens blijkt Molkenboer in deze tijd veel ziek te zijn. De kerk van Roelofarendsveen is verder van meer dan gewoon belang vanwege de uitvoerige bijtende kritiek op het bouwwerk door Thijm en Reichensperger . Thijm kenschetst de bouwer als een timmerman zonder opleiding en zijn voortbrengsel als een wangedrocht. Het artikel in de Dietsche Warande  kost hem echter veel abonnementen. Thijm blijft echter op zijn standpunt staan en gaat nog in op de relatie tussen geldelijke middelen en kerkgebouw : “die geen geld heeft voor een steenen kerk, bouw het choor” en verder: ”die geen geld te veel heeft, wensche geen ornamenten; hij late ze wech”. Ook Reichensperger laat niets heel van deze kerk. In zijn artikel uit 1855  lezen wij overigens dat Theo Molkenboer reeds zo’n 70 kerken moet hebben gebouwd of hersteld. De Roelofarendsveense kerk was een neogotische pseudo-basiliek met transept en toren. Het interieur vertoonde overeenkomsten met dat van Overveen. De vierkante toren toonde kernmerken van de Engelse perpendicular-stijl en werd bekroond door een wat smal uitgevallen achtkantig torentje van hout.
In het jaar 1856 dat Roelofarendsveen gereed komt, verrijzen de kerken van Wognum en Purmerend.
Het driebeukige kerkje van Wognum heeft een gevel en interieur à la het inmiddels bekende type van Zeist. Zoals bij meer kerken van Molkenboer maakt de hoofdingenieur van Waterstaat E. de Kruijff een opmerking over de zijns inziens wat krappe begroting .
Aanmerkingen van meer inhoudelijke aard maakt de hoofdingenieur op de plannen voor de kerk van Purmerend . De fundering en de constructie zijn volgens hem te licht. Net als in Lutjebroek blijkt Molkenboer niet zo snel overstag te gaan, doch hij trekt na interventie van bisschop Van Vree toch aan het kortste eind . Molkenboer blijkt hier overigens zeer beducht voor schade aan zijn reputatie, want hem is er alles aan gelegen dat de bezwaren van de hoofdingenieur niet onder de ogen van de minister of de commissaris komen. De kerk heeft als plattegrond een soort van Grieks kruis met een breed middenschip van slechts twee traveeën . Hoewel er voldoende ruimte is voor een lichtbeuk ontbreken toch de ramen op deze plaats. De gevel volgt in hoofdlijnen de indeling van het inwendige en draagt het gebuikelijke torentje.
Het jaar 1857 is een buitengewoon druk jaar voor de Leidse bouwmeester aangezien hij dan in maar liefst vijf parochies de eerste steen voor een nieuwe door hem ontworpen kerk ziet leggen, terwijl in dat jaar verder nog de kerk van Wognum gereed komt en men nog bezig is met de kerk van Purmerend.
De herschikking van de vele parochies in de hoofdstad heeft in 1856 tot gevolg dat Molkenboer de opdracht krijgt om de kerk van St. Willibrord binnen de Veste, genaamd de Duif, te vergroten . Deze kerk was de eerste die na de inval van de Fransen in 1796, met officiële toestemming was gebouwd. Aangezien in een wet op de kerkgenootschappen uit 1854 werd bepaald dat een nieuwe kerk niet op te geringe afstand van een andere mocht worden gebouwd, blijft men de werkzaamheden stelselmatig “verbouwing” noemen, hoewel er uiteindelijk een compleet nieuwe kerk verrijst . De reden hiervoor is gelegen in het feit dat op zeer geringe afstand, op het Amstelveld, een protestantse kerk staat. Aangezien de oude Duif in classicistische stijl was opgetrokken , wensen de opdrachtgevers dit te continueren. Alzo verrijst een kerk die zeer uitzonderlijk is in het oeuvre van Theo Molkenboer. Achter de barokke voorgevel, die geheel van natuursteen is opgetrokken, treffen we een classicistisch interieur aan met galerijen boven de zijbeuken. De keuze voor deze stijl blijkt diverse pennen in beweging te hebben gezet. Zo verweert het kerkbestuur zich nog in 1864 als het opmerkt dat in volkomen overeenstemming met de bisschop en zelfs op diens uitdrukkelijk verlangen voor de moderne (sic) bouwstijl is gekozen . De voorgevel bezit zeker de verdienste dat zij de inwendige dispositie tot uitdrukking brengt, hetgeen we bij Molkenboer’s kerken wel eens anders hebben gezien. Dat de kerk evenals die in Zwolle en Leeuwarden galerijen bezit, zal zeker hebben samengehangen met het grote aantal parochianen en het beperkte bouwterrein.
Ook in Helmond moet een kerk die door het wassende aantal parochianen te klein is geworden, het veld ruimen . Doch ditmaal is het een laatgotische kerk. Zoals reeds in hoofdstuk 2 is gememoreerd, vist P.J.H. Cuypers hier achter het net en gaat Theo Molkenboer die zich in het Zuiden nog niet had laten zien en dat ook later niet meer zou doen, met de eer strijken . Het zal al met al een vette opdracht blijken te zijn, want de kerk wordt met haar 125 mille de duurste uit zijn loopbaan . De bouw strekt zich uit tot 1861 en geschiedt in twee gedeelten. De driebeukige neogotische kruisbasiliek heeft een kooromgang en evenals de Redemptoristenkerk een triforium en lichtbeuk. Deze beide kerken zijn samen met die van Purmerend de enige die een aparte dakhelling hebben boven de zijbeuken. De toren van de oude gotische kerk is, na vele discussies, door Molkenboer ommanteld en met een achtkant verhoogd . Tijdens de bouw wordt Molkenboer voortdurend geplaagd door jichtpijnen . De opzichter bij de bouw van de Helmondse kerk is Blansjaar, die als aannemer de Mon-Père kerk bouwde. Vermeldenswaard is wel dat deze Blansjaar een protestant is . Zoals gezegd moet Molkenboer zich in deze jaren als een “vliegende Hollander” langs ’s Heren wegen hebben begeven, want ook in het vlak bij Haarlem gelegen dorp Schoten verrijst een kerk van zijn hand. De nieuwe hoofdingenieur van Waterstaat, J.G. van Gendt, die in 1856 De Kruijff opvolgt, heeft echter wel bezwaren tegen de lichtheid van de constructie, die hij wijt aan de zonder twijfel beperkte omvang van de beschikbare fondsen . Tevens adviseert hij een groter gebouw met het oog op de te verwachten toename van het aantal kerkgangers . Dit laatste geschiedt inderdaad doordat Molkenboer het kerkbestuur er van overtuigt dat een verlenging met één travee de sierlijkheid van het gebouw ten goede zal komen. De architect heeft de bouwpastoor, die professor was geweest in Warmond, een variant van het type van de kerk van Zeist voorgelegd, aangezien de kerk slechts op enkele details hiervan afwijkt. Evenals bij vele andere kerken van Molkenboer blijkt het houten klokkentorentje bepaald niet voor de eeuwigheid ontworpen, want ook hier wordt het in latere jaren vervangen.
Vlissingen behoort in deze jaren bij het bisdom Haarlem en aangezien Molkenboer dé architect van dit bisdom is, verbaast het niet hem ook in deze marineplaats tegen te komen. Hij stuurt eerst tekeningen in Romaanse stijl, een stijl die we nog niet bij hem zijn tegengekomen, doch men kiest uiteindelijk voor de gotische bouworde, de zogenaamde stile non ornée . De reden hiervoor is dat de kolommen te veel plaats zouden innemen, hetgeen plaatsengeld zou schelen . Waarom een Romaanse zaalkerk niet zou kunnen voldoen is ons niet duidelijk. Molkenboer zal overigens zijn Romaanse ontwerp wel niet hebben verscheurd, want enige kerken in deze stijl lagen nog in het verschiet. Molkenboer blijkt zich in deze uithoek van het land overigens te hebben laten vertegenwoordigen door ene architect Meyer . Zo krijgt Vlissingen dus een gotische zaalkerk. Thijm beschrijft ook deze kerk en heeft slechts lof voor de gekozen bouworde . Hij vermeldt dat opnieuw de gevel het struikelblok voor de architect heeft gevormd. Inderdaad lijkt de façade een driebeukig interieur te suggereren. Het zou ons niet verbazen als Molkenboer aanvankelijk met een driebeukig inwendige is gekomen, doch op aandrang van het Vlissingse kerkbestuur gewoon de pijlers heeft laten vallen zonder zich genoodzaakt te hebben gevoeld de gevel aan te passen. Verder simuleert de façade een tot de grond doorgebouwde toren.
De kerk van Egmond, eveneens uit 1857, toont in de gevel wel de innerlijke dispositie, een driebeukige kerk met kruisribgewelven overdekt. De opdracht aan Molkenboer wordt hem pas na vele discussies tussen bouwcommissie en pastoor gegeven . Allereerst dankt men de architectaannemer Van der Horst uit Hoorn af, aangezien deze een te duur plan heeft gemaakt en een kerk met kolommen wil maken. De pastoor stelt nu Molkenboer voor, doch het bestuur wil liever de architect H.H. Dansdorp, die begonnen als architect bij Waterstaat, rond 1840 zelfstandig bouwmeester is geworden. Diens belangrijkste kerk is de St. Jozef kerk in Haarlem uit 1841-43, doch de bouwcommissie noemt met name zijn kerk te Limmen in neoclassicistische stijl. Men ziet echter vooral tegen Molkenboer op omdat deze zulke kolossale en dure kerken zou bouwen. Blijkbaar had de commissie toch geen goed overzicht van het werk van de Leidenaar. Molkenboer ontwerpt een kerk met een curieuze façade als een soort trapgevel met talrijke pinakels. De toren is ingebouwd. Voor de pinakels op de kerken van Molkenboer geldt overigens hetzelfde als reeds opgemerkt is voor zijn torentjes; vele hebben de tand des tijds niet kunnen trotseren.
In 1858 is Molkenboer weer terug in Warmond, alwaar niet ver van het seminarie een nieuwe kerk wordt gebouwd die volgens de opdracht qua grondplan grote gelijkenis diende te vertonen met de 16de-eeuwse kerk  die tijdens het beleg van Leiden ten onder was gegaan en waarvan nog slechts de toren en de fundamenten van het schip resten. De kerk van Theo Molkenboer is de eerste neoromaanse in zijn oeuvre. Wellicht kan hij hier de afgekeurde tekeningen van Vlissingen gebruiken. De kerk is een driebeukige kruiskerk zonder toren waarin het schip en transept met een houten gestuct tongewelf zijn overdekt en de zijbeuken graatgewelven hebben. De westzijde toont ons een bepaald harmonieus te noemen gevel met een klimmend boogfries en een portaal voorzien van archivolten en zuilen met dobbelsteenkapitelen. Net als jaren eerder aannemer Sebil niet aan zijn verplichtingen kon voldoen bij de bouw van het seminarie te Warmond, zo vergaat het thans ook aannemer Kloosterman . Molkenboer blijkt keer op keer de begroting scherp uit te rekenen want meer dan eens verzuchten de aannemers dat er nauwelijks iets voor hen overblijft. Ook de oplevertijd blijkt telkens krap bemeten te zijn, zo zeer zelfs dat de ingenieur van Waterstaat daar wel eens een opmerking over maakt. Het salaris van Theo Molkenboer blijkt intussen flink vooruit te zijn gegaan. Bedroeg zijn gage bij de Hartebrugkerk in Leiden nog drie procent van de aannemingssom , in Helmond bedingt hij zes procent doch krijgt er vijf . Vanaf nu is zijn loon echter steeds zes procent .
Net als het voorgaande jaar is ook het jaar 1858 een topjaar in zijn productie. Naast Warmond start de bouw van nieuwe kerken in Grootebroek, Hoofddorp, Tuitjenhorn en Vogelenzang. Verder komen de kerken van Vlissingen en Schoten gereed en is men nog bezig met de bouw in Egmond en Helmond.
De driebeukige neogotische kerk van Grootebroek ontlokt de hoofdingenieur Van Gendt het commentaar  dat hij het ontwerp fraai vindt doch de fundering niet goed berekend. Er wordt dan ook zwaarder geheid. De aannemer blijkt ook hier geen cent te verdienen .
Naar het plan van de Haarlemse bisschop van Vree worden in de in 1852 drooggelegde Haarlemmermeer drie parochies gesticht: Hoofddorp, Lijnden en Nieuw-Vennep. De nieuwe kerken van Hoofddorp en Lijnden worden tegelijkertijd aanbesteed . De gecombineerde opdracht gaat aanvankelijk naar de Amsterdamse architect W.J.J. Offenberg en er vindt zelfs al een aanbesteding plaats, doch deze valt veel te duur uit . Offenberg die later een der oprichters zou worden van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, moet plaats maken voor onze Leidse architect. De bouw van beide kerken zou echter bepaald niet zonder problemen verlopen, aangezien de eerste aannemer failliet ging .
De kerk van Lijnden is een driebeukige neoclassicistische kerk en lijkt sterk op die van Westerblokker.
De kerk van Hoofddorp daarentegen is Romaans doch bepaald niet zo afgewogen als die van Warmond. De gevel laat het Romaanse slechts zien in de rondboogramen en –nissen en het interieur lijkt op dat van de St. Matthias van Warmond, doch zonder de ronde zuilen met kapitelen, maar met rechthoekige pijlers die in hun bewerking zelfs geen suggestie van steen geven. Overigens verraadt de stofdoorslag op de gipsen gewelven op plaatsen waar geen latwerk zit, in vrijwel alle kerken van Molkenboer onmiddellijk de hand van de stucadoor.
De kerk van Nieuw-Vennep  zou na de dood van Molkenboer worden gebouwd door zijn zoon, nadat men overigens eerst P.J.H. Cuypers nog een ontwerp had laten maken, doch hier in verband met de zeer hoge kosten snel van terugkwam. De parochies in de Haarlemmermeer waren bepaald niet erg kapitaalkrachtig.
De plannen voor de kerk van Tuitjenhorn konden geen genade vinden in de ogen van de arrondissementsingenieur A.B. Mentz, die de constructie veel te licht vindt . Hij blijkt Molkenboer reeds eerder vanwege hetzelfde verwijt op de vingers te hebben getikt en schrijft zelfs aan de hoofdingenieur dat verschillende door Molkenboer ontworpen gebouwen thans grote gebreken vertonen. We zien dat Theo Molkenboer vaak met twee benen in één kous zit, want enerzijds moet hij de pastoors ter wille zijn en zo goedkoop mogelijk ontwerpen, anderzijds dwingt de controle van Waterstaat hem tot meer solide bouw. Evenals de kerk van Vlissingen, waarmee de kerk sterke gelijkenis vertoont, bouwt men een eenbeukige gotische kruiskerk. Ook deze gevel suggereert weer een driebeukig inwendige.
Reeds in hoofdstuk 2 zijn wij de ultramontaanse hoogleraar Borret tegengekomen. Ondanks zijn voorliefde voor de klassieke bouwkunst, laat deze in Vogelenzang een neogotische kerk bouwen. Naast Molkenboer wordt in de stukken over deze kerk  steeds ook melding gemaakt van de architect Pelzer uit Kleef. Waarschijnlijk is deze betrokken geweest bij de interieurdecoraties. Het zal geen gemakkelijke opgave voor Molkenboer en de aannemer zijn geweest, want Borret, die toch al geen gemakkelijk heerschap was, bemoeit zich overal mee en brengt herhaalde malen wijzigingen in het ontwerp aan. Voor de som die aanvankelijk was begroot op 150 mille geeft Borret’s rivaal Van Vree, die het door Borret zozeer geambieerde bisschopsambt verwierf, geen toestemming, doch desondanks zal deze dorpskerk toch het kapitale bedrag van 100 mille gaan kosten. De hoofdingenieur, die zich vrijwel nooit met de bouwstijl heeft beziggehouden, prijst het ontwerp van Molkenboer  en ook Alberdingk Thijm heeft er enige lovende woorden voor over, doch wijst ook nadrukkelijk op een groot manco van deze kerk, namelijk dat zij niet geoost is . De eenbeukige gotische kerk met transept heeft een forse toren bestaande uit een vierkante onder- en een achtkante bovenbouw en vertoont veel overeenkomsten met de toren van Helmond.
Bij de bouw van de kerk van Rijpwetering, die in 1859 aanvangt, worden de aannemer en de architect verscheidene malen tot grotere spoed gemaand , hetgeen overigens niet ongewoon was. Wel ongewoon is het feit dat hier sprake is van het toepassen van boeteclausules, iets waarmee wel steeds wordt gedreigd doch waarvan de toepassing door Molkenboer, zelfs in het geval van Roelofarendsveen, aan het kerkbestuur steeds wordt ontraden om de sfeer niet te bederven. In de driebeukige neogotische pseudo-basiliek worden de gewelven gedragen door slanke bundelpijlers zonder kapitelen. Het geheel ademt de sfeer van de Duitse gotiek. Evenals vele andere kerken van Molkenboer krijgt ook deze kerk van Kalf de kwalificatie “onbeduidend” .
Een kerk van het type van de kerk van Westerblokker verrijst in 1860 in Volendam. Het ontwerp wijkt slechts af door een klimmend boogfries in de gevel . Het blijkt voor Molkenboer moeilijk te zijn iemand uit zijn bedrijf naar dit vissersdorp te krijgen en vervolgens moet hij op aandrang van de pastoor als de bouw bijna voltooid is, zijn opzichter Blansjaar weghalen aangezien deze wat al te veel zou hebben gedronken, humeurig zou zijn en al te gemeenzaam met het werkvolk . Uit de correspondentie blijkt dan Molkenboer achter zijn werknemer blijft staan en een bewijs van tevredenheid voor Blansjaar weet los te krijgen. De kerk blijkt overigens slecht gebouwd, want reeds in 1863 moeten de nodige restauraties worden uitgevoerd. Molkenboer vraagt de pastoor na de voltooiing van de kerk enige regels in het dagblad De Tijd aan de kerk te wijden .
Dat Molkenboer zich bij de kerkbesturen die een nieuwe kerk willen gaan bouwen, aandient met een staalkaart van tekeningen in verschillende stijlen, mag blijken uit de bouwgeschiedenis van de kerk in het West-Friese ’t Zand, het vroegere Noord-Zijpe. Theo Molkenboer legt het plan van de kerk van Warmond en daarna de tekeningen van de kerk van Hoofddorp voor , doch men kiest uiteindelijk voor het plan van de kerk en pastorie van Volendam. De kritiek van Brom  dat Molkenboer zich absoluut niet bekommert om welke stijl dan ook en met het grootste gemak de ene inruilt voor de andere, mag hieruit genoegzaam blijken. In plaats van de Ionische zuilen van Volendam, krijgen de Westfriezen Dorische zuilen. Het zal ze wellicht niet eens opgevallen zijn.
Aangezien ook Texel tot het bisdom Haarlem behoort, wekt het geen verbazing dat Theo Molkenboer de boot naar dit eiland heeft genomen. In Den Burg bouwt men in 1863 een Romaanse kerk van zijn hand  met een inwendige dat uit zijn stalenboek onder het hoofdstuk Warmond moet zijn voorgekomen. De kerk komt in december van ditzelfde jaar gereed, de maand waarin men bezig is met de grondwerkzaamheden voor de kerk in Hoogwoud.
Voor deze kerk in Hoogwoud  had Van der Horst, die we reeds zijn tegengekomen bij de bouw van de kerk van Egmond, verregaande plannen gemaakt die een verbouwing van de oude kerk zouden inhouden. Ook hier herhaalt de historie zich en komt onze Leidenaar op de proppen. Hij ontwerpt een kerk zonder toren aangezien de middelen van de parochie niet méér toelaten , doch op aandrang van een zogenaamd torencomité tekent hij er een halve toren bij om de parochianen enigszins onder druk te zetten. Inderdaad wordt later de kerk met de hele toren gebouwd doch dan is Theo Molkenboer reeds overleden. De zaken van de architect blijken onder dezelfde firmanaam te worden gecontinueerd door zijn zoon . Na overleg met de bisschop besluit men in Hoogwoud het werk te laten voortzetten, slechts de grondwerken waren intussen gereed, aangezien immers zijn zoon de tekeningen van details en profielen van de kerk van Warmond zou bezitten. Ook hier blijkt men dus weer een kerk uit het bestaande repertoire te hebben gekozen en inderdaad is het inwendige van de kerk identiek aan dat van de Warmondse Matthias. Molkenboer’s zoon ontwerpt de bovenbouw van de toren, die weinig harmonieus genoemd kan worden, al toont deze wel meer zijn Romaanse karakter dan die van Hoofddorp.
Vóór zijn dood in 1863 heeft Molkenboer ook nog de verbouwingsplannen voor de St. Willibrordus te ’’s-Gravenhage ontworpen. Deze kerk was in 1821-22 gebouwd door A. Tollus .

De kerken van Nieuw-Vennep, Oud-Beierland, Burgerbrug (Zuid-Zijpe) en Hippolytushoef, die Kalf alle aan Molkenboer toeschrijft, zijn alle gebouwd door de firma, maar niet door onze Theo Molkenboer ontworpen. Overigens zou Kalf  van deze verschrijvingen wel niet wakker hebben gelegen aangezien hij immers toch geen goed woord over had voor de kerken van Molkenboer. Dat de firma de tekeningen van Theo na diens dood zeker niet zal hebben vernietigd, blijkt uit de genoemde vier kerken die zeker zijn invloed verraden. Overigens blijkt ook uit deze kerken dat zijn opvolgers nog minder van stijlen begrepen dan hij. De kerk van Nieuw-Vennep toont ons gotische ramen in een Romaans interieur à la de kerk van Warmond. In Burgerbrug zien we een gedrukt spitstongewelf rustend op een smalle kroonlijst, die niét wordt gedragen door zuilen of anderszins doch die wordt gesteund door naar de zijwanden lopende zwikken.

Zoals reeds eerder vermeld, wordt rond 1855 melding gemaakt van het feit dat Theo Molkenboer dan reeds zo’n zeventig kerken zou hebben ge- of verbouwd. In een familienotitie  samengesteld door W.B.G. Molkenboer, een oomzegger van de architect en bevattende de stamboom van zijn familie komt ook dit aantal van zeventig kerken voor. Om precies te zijn hebben wij veertig nieuw gebouwde kerken van Theo Molkenboer kunnen achterhalen, drie seminaries, zes kerkverbouwingen en een fabriek. Niet meegeteld zijn hierbij de pastorieën die veelal tezamen met de kerk, of even daarna, werden gebouwd en dikwijls ook ontworpen door de architect van de kerk. Van de door Molkenboer ontworpen kerken is nog de helft in gebruik als bedehuis. De andere kerken zijn afgebroken, terwijl sommige een andere functie hebben gekregen, zoals de kerk van Westerblokker die thans een tapijtenfirma herbergt.
 

 6.    SLOTBESCHOUWING

Overzien wij het zeker in kwantitatief opzicht bepaald imposante oeuvre van Theo Molkenboer dan blijkt dat de architect gedurende zijn gehele carrière trouw is gebleven aan het concept van de stucadoorsarchitectuur. Hij stelt zijn ontwerpen samen met elementen die hij put uit historische stijlen als de gotische, de romaanse, de klassieke en de barokke. Meer dan eens treffen we aan één gebouw zelfs kenmerken van verschillende stijlen, hetgeen ons niet al te zeer mag verbazen, aangezien zijn kerken verrijzen in een tijd waarin van een studie van de bouwstijlen van het verleden nagenoeg nog geen sprake is. Pas na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie komt, niet het minst door de fervente inzet van Alberdingk Thijm, een proces van wetenschappelijke oriëntatie op het verleden op gang.
Molkenboer’s oeuvre beslaat een periode die aanvangt in het begin van de 30er jaren, waarin de heersende stijl nog het neoclassicisme is. In een tijd waarin de katholieken nog slechts aarzelend uit hun schuilkerken te voorschijn komen, is het begrijpelijk dat zij hun verbondenheid met Rome wilden tonen door kerken in klassieke stijl.
Pas in de latere jaren zien wij een steeds sterker zoeken naar een eigen stijl voor de katholieke kerken, aangezien ook de protestantse nieuwe kerken in neoclassicistische stijl worden opgetrokken. Uiteindelijk mondt dit uit in de neogotiek die nagenoeg het exclusieve voorrecht zal vormen van de katholieke kerkenbouwers.
Molkenboer’s loopbaan eindigt in het begin van de 60er jaren dan ook in een tijd waarin de ster van de Roermondse architect P.J.H. Cuypers al tot grote hoogte is gestegen. Na studiereizen in Duitsland en Frankrijk en zijn kennismaking met de theorieën van met name Viollet-le-Duc wordt diens dogma dat iedere vorm logisch dient voort te komen uit de constructie, voor Cuypers het leidend principe. Tegelijk met Cuypers’ eerste in steen overwelfde kerk in Oeffelt aan de Maas komt in de hoofdstad in 1854 Molkenboer’s Redemptoristenkerk gereed. Zoals C. Hoogveld heeft aangetoond , baseert Molkenboer, zoals we reeds in hoofdstuk 5 zagen, zich voor deze kerk op een in 1848 door de Redemptorist R.P. Ritzinger ontworpen kerk in Mons (Belgie). Het is waarschijnlijk dat Theo Molkenboer dit met stenen gewelven overkluisde Henegouws voorbeeld slechts van afbeeldingen heeft gekend en de kerk nimmer heeft bezocht. Als Cuypers vanaf dit moment, met zijn onafscheidelijke geestverwant Alberdingk Thijm, steeds meer van zich doet spreken, zien we Molkenboer zich onvervaard voortzetten op de weg die hem reeds langs zo vele opdrachten en nagenoeg even zo vele successen heeft geleid.
Het moet wel als uitgesloten worden beschouwd dat Molkenboer geen weet heeft gehad van de neogotische kerken die onder leiding van Cuypers werden gebouwd, maar aangezien Cuypers pas tegen het einde van de 50er jaren zijn werkterrein vanuit het zuiden uitbreidt tot de rest van Nederland, heeft Molkenboer, die immers voornamelijk in het bisdom Haarlem heeft gebouwd, geen concurrentie van de Roermondse architect te duchten.
Met Theo Molkenboer krijgen de katholieken sedert lange tijd weer een architect uit eigen gelederen. In een periode waarin de katholieken weer hun eigen godshuizen mogen bouwen, telt echter niet de historisch verantwoorde stijl, maar op de allereerste plaats het indrukwekkende karakter van het gebouw. Elke kerk moet een monument van emancipatie zijn, het liefst voor zo weinig mogelijk geld.
Zoals in hoofdstuk 2 is opgemerkt, is Molkenboer de voornaamste vertegenwoordiger van de stucadoorsgotiek, de fase die direct voorafgaat aan de neogotiek. In deze stijlperiode, veelal aangeduid met de pejoratieve benaming “schijngotiek”, “pseudo-gotiek” of zelfs “suikerbakkergotiek” , zien we een stoeien met de middeleeuwse gotische vormentaal zonder dat ook maar enige blijk wordt gegeven van begrip van de gotische constructie die hieraan ten grondslag heeft gelegen. Als zodanig moet deze fase worden gezien als een periode waarin de Nederlandse kerkprovincie rijp wordt voor een ware herleving van de gotiek.
Reeds tijdens zijn leven is Theo Molkenboer, niet het minst vanwege zijn enorme productie en zijn grote populariteit bij de bouwpastoors, het mikpunt van kritiek op de schijnarchitectuur. Vooral de criticus Thijm schrijft menig maal in sterk afkeurende bewoordingen over hem en zijn werk. Dat deze kritiek zich echter aanvankelijk tegen Thijm zelf en diens Dietsche Warande keert, blijkt onder andere uit de vele opzeggingen van abonnementen op dit tijdschrift na een vernietigende bespreking van de kerk van Roelofarendsveen .
Molkenboer’s positie is dan nagenoeg onaantastbaar en hij blijkt de favoriet van menig kerkbestuur en niet in de laatste plaats van de bisschop van Haarlem.
Molkenboer is, zoals we ook al hebben gezien, in staat voor nagenoeg elke prijs een kerk neer te laten zetten, waarmee de pastoors, blijkens de vele lovende woorden in met name de Godsdienstvriend, veel eer kunnen in leggen. Vanzelfsprekend zijn zijn kerken met de gestucadoorde houten gewelven, “ribbenkasten zonder ribben” zou Thijm eens zeggen , aanzienlijk goedkoper dan de in steen overkluisde. Vooral in de talrijke armlastige parochies worden zijn goedkope ontwerpen met vreugde ontvangen. Ook na zijn dood blijken kleine parochies zijn ontwerp voor eenvoudige kerkjes te verkiezen boven de veel duurdere van P.J.H. Cuypers. Zo denkt men te Nieuw-Vennep wel aan Cuypers doch ziet van hem af in verband met de te verwachten hoge kosten  en valt terug op het werk uit het atelier van Molkenboer. In deze parochie moet het geld dan ook via talrijke collectes in het gehele bisdom bijeen worden gebracht.
Voor eigentijdse kritiek op het werk van Theo Molkenboer zijn wij nagenoeg uitsluitend aangewezen op het werk van Alberdingk Thijm. De passages in de Godsdienstvriend die gewijd zijn aan Molkenboer’s kerken bevatten immers nauwelijks of geen inhoudelijke kritiek. Men prijst hierin slechts de totstandkoming van weer een heerlijk kerkgebouw, ontworpen door de kundige architect. Nooit lezen we in dit tijdschrift ook maar enige opmerking over de stijl, laat staan een kritische noot over het gebouw. Het is echter kenmerkend voor de eerste fase van elk emancipatieproces, waarin nog slechts sprake is van een ontwikkeling van bewustwording en een ontplooiing in eigenheid, dat kritiek, hoe gefundeerd ook, met weinig gevoel voor nuance wordt gepareerd. Zo wordt de kritiek van Thijm op de bouwstijl van Molkenboer c.s. simpelweg afgedaan met de kwalificatie “hatelijk en hooghartig gesnap van een echte Albedil” .
Staat Thijm met zijn niet aflatende kritiek op de stucadoorsgotiek aanvankelijk nagenoeg alleen, gaandeweg breekt in bredere kring het besef door dat voor een ware herleving van de middeleeuwse gotiek meer nodig is dan het imiteren van gotische versieringen. Later zou zelfs Borret, de bouwpastoor van Vogelenzang, verklaren dat de gevaarlijkste vijand van de gotiek niet de renaisssance is, maar de verbastering van de echte gotiek, de “suikerbakkersgothiek van sommige liefhebbers” . We zagen reeds dat Kalf , onder het wakend oog van P.J.H. Cuypers, de kerken van Molkenboer veelal afdoet als onbeduidend. Brom doet dit alles nog eens dunnetjes over en heeft geen goed woord over voor de Leidse bouwmeester. Hij memoreert dat volgens tijdgenoten Molkenboer steeds in een ommezien klaar was met plan en bestek en bij gebrek aan vakbroeders bijna een monopoliepositie bekleedde. In zijn bloemrijk proza beschrijft hij dat de verwende aannemer, voor wie de naam kunstenaar te gewichtig zou klinken, stalen van alle stijlen aan een gebouw opgestapeld zou hebben, wanneer hij er zijn dagelijks brood en de eeuwige zaligheid mee kon winnen . Hoewel Rosenberg  zich grotendeels op de al genoemde bronnen beroept, vermeldt hij wel dat Molkenboer een aandachtige studie van de bouwstijlen uit het verleden maakte alvorens ze bij zijn ontwerpen toe te passen. Aangezien de schrijver niet duidelijk maakt waarop hij deze mening baseert, valt aan te nemen dat hij dit concludeert op grond van de kerken van de architect. Het valt inderdaad aan te nemen dat Molkenboer gewerkt zal hebben naar voorbeeldboeken van de historistische bouwstijlen, doch de vermelding dat hij een aandachtige studie van deze stijlen zou hebben gemaakt, lijkt ons enigszins overdreven.
Van enige ontwikkeling in het oeuvre van Theo Molkenboer is geen sprake. Zoals reeds vermeld is het opvallend dat de eerst ons bekende kerken van zijn hand tot zijn qua omvang en kosten meest indrukwekkende horen. Hoewel hij zijn gehele loopbaan classicistische kerken zal blijven bouwen, zien we toch echter geen tweede Hartebrugkerk meer verrijzen. We hebben reeds gezien dat hij met zijn gotische Mon-Père kerk tot een der eersten behoort die dit soort van kerken in Nederland introduceert. Hoewel Molkenboer tot dé vertegenwoordiger van de stucadoorsgotiek mag worden gerekend, blijkt toch ook dat hij eigenlijk nauwelijks minder neoclassicistische kerken heeft ontworpen. Hij blijkt in de loop der jaren geen uitgesproken voorkeur voor de ene noch de andere stijl te ontwikkelen. Zoals Brom schrijft , kon de pastoor kiezen wat hij maar wilde uit de staalkaart van ontwerpen, die met een vaartje als een litanie kant en klaar werden aangeboden. Ook al slaat Brom de plank mis met zijn vermelding dat men in Castricum eerst een gotieke kerk bestelde, maar ten slotte koos voor de “rondbogenstijl”, waartoe de vlotte leverancier Molkenboer volgzaam zou zijn overgegaan, omdat de vorm van een raam hem natuurlijk lood om oud ijzer was, aangezien namelijk niet Molkenboer, maar R. van Zoelen deze kerk ontwierp, toch hebben we gezien dat Molkenboer moeiteloos van ontwerp wisselde .
Na het herstel van bisschoppelijke hiërarchie in 1853 blijkt hij echter wel meer gotieke kerken te ontwerpen. De classicistische ontwerpen van het type Westerblokker blijken dan louter voor de kleine parochiekerken te worden gebruikt. In zijn latere jaren zien we dat hij zelfs nog enige neoromaanse kerkgebouwen tekent en zelfs nog de neobarokke Duif in Amsterdam.
Zo vangt dé man van de stucadoorsgotiek zijn loopbaan als architect aan met de neoclassicistische St. Petrus te Leiden en eindigt met de neoromaanse kerk van Hoogwoud.
Hoewel de kerk van Overveen acht jaren voor zijn dood wordt ontworpen, valt deze toch ongeveer halverwege zijn indrukwekkende productie. De kerk zal zonder twijfel voor Molkenboer veel reclame hebben betekend, want in de hierna volgende jaren ontvangt hij een groot aantal opdrachten voor nieuwe kerken, die dan voornamelijk in gotische stijl worden opgetrokken. De Overveense kerk mag zeker worden gerekend tot de betere werken van de architect. Hoewel het exterieur met de sombere grauwe waalstenen weinig harmonieus is, maakt het interieur zeker een afgewogen en ook intieme indruk. De Overveense kerk laat voor het eerst in Molkenboer’s oeuvre een geheel in steen uitgevoerde toren zien. De eerdere torens te Lutjebroek, Westwoud en Roelofarendsveen worden nog alle bekroond door een houten klokkentoren. Qua omvang en kosten behoort de kerk tot de wat grotere en duurdere die hij in zijn leven heeft ontworpen.
Zoals we zagen, was Molkenboer in staat voor bijna elke prijs een kerk te ontwerpen en zodoende dikwijls in staat om de concurrentie de pas af te snijden. Zo krijgen Oud-Ade en Lutjebroek hun nieuwe kerken voor slechts fl. 13.000,- respectievelijk f. 18.000,-. Dat beide kerken een slechts zeer kort leven was beschoren mag dan ook weinig verbazing wekken; de kerk van Oud-Ade werd reeds na twintig jaar afgebroken en die van Lutjebroek na zevenentwintig jaar dienst te hebben gedaan. Molkenboer mag zich echter ook enige malen verheugen in enkele in financieel opzicht grootschalige opdrachten zoals te Helmond, Amsterdam, Vogelenzang en ook reeds bij de aanvang van zijn carrière te Leiden.
Hoewel Theo Molkenboer een zeer gevarieerd oeuvre heeft nagelaten zien we toch dikwijls variaties op eenzelfde thema. Wat betreft de façades van de kerken blijkt hij veelal terug te vallen op een puntgevel die geheel vlak is of een ietwat vooruitspringende middenrisaliet heeft. Dergelijke gevels worden dan dikwijls bekroond met een houten torentje. Het al dan niet aanwezig zijn van pinakels op spitsboogramen of –nissen geeft ons een aanwijzing over de gekozen stijl voor het interieur. Toch blijkt hij wel eens stijlelementen te mengen, zoals in de kerken van Leeuwarden en Zwolle.
Ook al legt Molkenboer zichzelf weinig beperkingen op bij het combineren van verschillende stijlkenmerken, aan de façade is het toch wel af te lezen of we gotische dan wel een klassieke ruimte zullen betreden. Bij de kerk van Zwolle worden we echter geheel op het verkeerde been gezet met een klassieke gevel voor een klassiek-gotisch interieur, doch de bijdrage van Molkenboer aan dit ontwerp is, zoals we al zagen, nogal dubieus.
Het blijkt verder verschillende keren voor te komen dat de architect een kerk getrouw copieert. Zo zijn de kerken van Bolsward (St. Martinus) en Noordwijkerhout geheel identiek, terwijl de kerk van Zeist op slechts ondergeschikte details hiervan afwijkt. Gelijk zijn ook de kerken van Volendam, ’t Zand en Krommenie, terwijl aan de Romaanse interieurs van Warmond en Hoogwoud eenzelfde ontwerp ten grondslag heeft gelegen.
De kerkruimtes worden vrijwel zonder uitzondering overdekt met een groot zadeldak. Het valt van buitenaf niet uit te maken of zich onder dit dak een één- dan wel een meerbeukig schip bevindt. Ook de gevelindeling heeft veelal niets met die van het inwendige te maken. Zo suggereert de gevel van de kerk van Vlissingen een driebeukige indeling terwijl het schip éénbeukig is. Ook de horizontale lijsten stroken in het geheel niet met de binnenverdeling. In de Vlissingse kerk simuleert Molkenboer zelfs een tot de grond doorgebouwde toren, doch ook dit blijkt schijn. Dat ten slotte vensters in de façade dikwijls geen of nauwelijks licht geven in het interieur hebben we ook reeds bij de kerk van Overveen gezien.
De plattegrond van vrijwel alle kerken toont een rechthoek met een veelhoekige absis. Zo benut Molkenboer steeds het gehele bouwterrein dat hij tot zijn beschikking heeft.
Hoewel Theo Molkenboer tijdens zijn leven een gevierd architect is, raakt hij na zijn dood toch reeds snel in de vergetelheid. In feite is er sedertdien niet of nauwelijks meer sprake geweest van een waardering voor de periode van de pseudo-gotiek, aangezien immers met P.J.H. Cuypers de echte neogotiek zijn intrede doet.
Bezien wij de figuur van Molkenboer in de ontwikkeling van de architectuur van de 19de eeuw dan blijkt hij tot de eersten te behoren die de stucadoorsgotiek in Nederland hebben geïntroduceerd. In elk geval heeft hij met zijn gigantische productie zo’n stempel op deze stijlperiode gedrukt dat stucadoorsgotiek en Molkenboer nagenoeg als identiek werden en nog steeds worden gezien. Zijn voornaamste verdienste ligt echter meer op het terrein van de emancipatie. Door de kerken van Molkenboer, de eerste katholieke architect van naam in Nederland na een eeuwenlange periode van stilstand in de kerkenbouw voor de rooms-katholieke godsdienst, raakt het katholieke volksdeel zich steeds meer bewust van haar eigen waarde en van een eigen stijl voor haar kerken. Als Alberdingk Thijm, met zijn geestverwant P.J.H. Cuypers, na het herstel van de hiërarchie pleit voor een echte christelijke stijl en kiest voor de gotische, dan kan hij wijzen op de inmiddels op vele plaatsen verrezen pseudo-gotische kerkgebouwen van de hand van de Leidse architect. Gaandeweg zal Thijm bij zijn kruistocht voor de ware gotiek steeds meer zijn pijlen richten op deze kerken van latwerk en gips. Molkenboer heeft voor Thijm dan ook, zonder het te willen, veel munitie aangedragen voor diens verbeten strijd voor een echte studie van de gotiek en tegen het klakkeloos toepassen van historische stijlvormen. Hoewel Molkenboer’s carrière geen aantoonbare schade oploopt van deze kritieken, komt met zijn dood ook een einde aan de stucadoorsgotiek.
De vele kerken van Theo Molkenboer die de tand des tijds hebben overleefd, moeten wij dan ook zien als monumenten van de emancipatie van een volksdeel dat in de Leidse bouwmeester een man bezat die met al zijn beperkingen in staat was aan de wensen van vele parochies te voldoen en ondanks de dikwijls krappe middelen een representatief bedehuis te laten bouwen. Daarbij mogen we niet vergeten dat Molkenboer, als we tenminste Thijm mogen geloven, volledig autodidact was, hoewel hij zeer waarschijnlijk de invloed heeft ondergaan van de kerken van Giudici en Suys.
Van Theo Molkenboer zijn leven, zijn gedachten, zijn idealen is weinig bekend; zelfs een portret van hem is ons niet nagelaten. Maar ook al weten we hoegenaamd niets van hem, vele van zijn kerken staan er nog en worden ook door de huidige generatie gebruikt. We mogen ons gelukkig prijzen dat nog velen de waarde van deze gebouwen inzien, getuige het feit dat diverse kerken thans worden gerestaureerd. Zo zal deze bijna naamloze architect via zijn werk nog lang blijven voortleven.
 

TIJDTAFEL VAN DE KERKEN

1835    Leiden (Petrus)
1836   Leiden (Hartebrug)
1837
1838   Leiden (Mon-Père)
1839
1840
1841
1842
1843  Warmond (Seminarie) Zoeterwoude  Kuilenburg
1844
1845  Oosterblokker
1846    Amersfoort (OLV)   Bolsward (Frans.) Oud-Ade     Voorhout (Seminarie) Zeist
1847
1848      Zwolle  Poeldijk    Lutjebroek
1849  Bolsward (Mart)        Westwoud
1850     Leeuwarden  Utrecht
1851  Amersfoort (Fr.X.)  Noordwijkerhout
1852   Westerblokker
1853  ’t Veld  Arnhem      Krommenie
1854  Hilversum   Amsterdam (Cath.) Amsterdam (Redempt.) Roelofarendsveen
1855  Overveen
1856  Purmerend Wognum
1857  Helmond   Schoten Vlissingen Egmond  Amsterdam (Duif)
1858     Grootebroek   Hoofddorp Warmond (Matth.)  Tuitjenhorn Vogelenzang
1859        Lijnden  Rijpwetering
1860     Volendam
1861
1862
1863 ’s Gravenhage ’t Zand  Den Burg (Texel)
1864 Hoogwoud
1865

DE KATHOLIEKE KERKEN VAN THEO MOLKENBOER

LEIDEN  ST. PETRUS

Eerste steen  2 maart 1835
Inwijding  28 juli 1836
Kosten   f. 63.000,-
Aannemer  C. Boef, Rotterdam
Bijzonderheden  De kerk is diverse malen verbouwd en uitgebreid. Op 25 juli 1933 is de kerk door brand verwoest. Restanten van de kerk zijn thans nog zichtbaar in de brandweerkazerne die in 1935 op deze plaats is gebouwd.

LEIDEN  O.L.V. ONBEVLEKT ONTVANGEN (HARTEBRUGKERK)

Aanbesteding  16 november 1835
Eerste steen  21 april 1836
Inwijding  28 november 1837
Kosten   f. 98.000,-
Aannemer  C. Boef, Rotterdam
Bijzonderheden  De kerk is verschillende malen verbouwd en uitgebreid, o.a. door J.H. Tonnaer in 1911. De oorspronkelijke koepel is in 1892 vervangen. De kerk is recentelijk gerestaureerd.

LEIDEN  O.L.V. HEMELVAART (MON-PÈRE)

Aanbesteding  26 februari 1838
Eerste steen  19 juni 1838
Inwijding  19 november 1838
Kosten   f. 63.000,-
Aannemer  Blanchard, Leiden
Bijzonderheden  De kerk werd op 8 juli 1934 gesloten, waarna het interieur werd verbouwd tot zwembad. In 1979 is het gebouw afgebroken.

WARMOND  SEMINARIE

Uitbreiding (o.a. nieuwe kapel)
Eerste steen (kapel) 8 juni 1843
Gereed   december 1844
Kosten   f. 88.800,-
Aannemer  H.J. Sebil, Haarlem (later: Van der Linden en Van Eck)
Bijzonderheden  De kranskapellen zijn van 1895 door J. Groenendael.

KUILENBURG SEMINARIE

Aanbesteding  18 april 1843 (hoofdgebouw)
Kosten   f. 51.450,-
Aannemer  Visser

Aanbesteding  8 maart 1856 (uitbreiding o.a. eetzaal en kapel)
Eerste steen  10 april 1856
Inzegening  9 october 1856
Kosten    f. 41.700,-
Aannemer  A. van Beek, Utrecht
Bijzonderheden  Het seminarie is gebouwd in opdracht van de Jezuïeten. Het complex is door brand verwoest.

ZOETERWOUDE ST. JOHANNES ONTHOOFDING

Eerste steen  3 juli 1843
Inzegening  17 juli 1844
Kosten   f. 52.200,-
Bijzonderheden  De kerk is vergroot in 1870 en in 1904 gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe kerk van P. Cuypers.

OOSTERBLOKKER H. MARIA VISITATIE

Eerste steen  21 september 1845
Inwijding  26 augustus 1846
Aannemer  M. Houwert

VOORHOUT  SEMINARIE HAGEVELD

Eerste steen  mei 1846
Inwijding  16 november 1847
Kosten   f. 118.200,-
Aannemers  P. Maas, Utrecht; W. Bull, N. Verwaijen en G. de Haas, Rotterdam
Bijzonderheden  In 1870-72 is het complex vergroot. In 1923 verrees het nieuwe seminarie Hageveld in Heemstede en werden de gebouwen te Voorhout bestemd voor de B.N.S. (bisschoppelijke nijverheidsschool). In 1980 is het complex gesloopt.

ZEIST   ST. JOZEF

Aanvang bouw  1846
Gereed   juli 1848
Aannemer  A. van Beek, Utrecht
Bijzonderheden  In 1888 heeft A. Tepe een nieuw priesterkoor gebouwd. In 1975 werd de kerk gesloten en in 1981 gesloopt.

AMERSFOORT  O.L.V. TEN HEMELOPNEMING

Verbouwing in 1846
Bijzonderheden  De kerk werd in 1820 gebouwd en in 1846 vergroot met een nieuw priesterkoor. In 1964 is de kerk in gebruik genomen als architectenbureau.

AMERSFOORT  ST. FRANCISCUS XAVERIUS

Verbouwing
Aanbesteding  21 februari 1851
Eerste steen  24 mei 1851
Inwijding  3 december 1851
Kosten   f. 11.500,-
Aannemer  H. Heuvels, Arnhem
Bijzonderheden  De kerk is in 1817 gebouwd en door Molkenboer kruisvormig verlengd. Het gebouw wordt in de volksmond “’t Zand” genoemd en herbergt thans het omroeppastoraat.

BOLSWARD  ST.FRANCISCUS VAN ASSISI

Aanbesteding  voorjaar 1846
Eerste steen  6 mei 1846
Inwijding  9 september 1847
Kosten   f. 33.185,-
Aannemer  N.G. Schotanus, Woudsend
Bijzonderheden  De kerk is in 1932 afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe.

OUD-ADE  ST. BAVO

Eerste steen  1846
Inzegening  1 october 1846
Kosten   f.13.000,-
Aannemer  P. Vreeburg (?), Voorschoten
Bijzonderheden  De kerk is in 1866 afgebroken.

ZWOLLE  ST. JOZEF

Aanbesteding  23 februari 1848
Gereed   1848
Kosten   f. 36.800,-
Aannemer  B.H. Trooster, Zwolle
Bijzonderheden  De kerk werd in 1882 verbouwd, doch 10 jaar later gesloten en vertimmerd tot verenigingsgebouw van de R.K. werkliedenvereniging St. Joseph. De belangrijkste wijziging was het aanbrengen van een tussenvloer ter hoogte van de galerijen. Het gebouw staat reeds enige jaren leeg en verkeert in deplorabele toestand.

LUTJEBROEK  ST. NICOLAAS

Aanbesteding  22 maart 1848
Eerste steen  3 juli 1848
Gereed   januari 1850
Kosten   f. 18.000,-
Aannemer  P. Vreeburg, Voorschoten
Bijzonderheden  In 1877 werd de kerk afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe kerk van P. Cuypers.

POELDIJK  ST. BARTHOLOMEUS

Eerste steen  19 april 1848
Inwijding  september 1850
Kosten   f. 39.500,- (incl. pastorie)
Aannemer  J.C. van Berkum
Bijzonderheden  De kerk is in 1926 afgebroken

BOLSWARD  ST. MARTINUS

Eerste steen  24 april 1849
Inwijding  17 juli 1850
Kosten   f. 20.612,50
Bijzonderheden  In latere jaren is een vloer aangebracht over de gehele kerk ter hoogte van de ramen. Slechts het bovenste gedeelte wordt thans nog als kapel gebruikt. De rest van de kerk dient tot opslagruimte.

UTRECHT  ST. DOMINICUS

Eerste steen  10 mei 1850
Kosten   f. 27.000,-
Aannemer  A. van Beek, Utrecht
Bijzonderheden  Het is niet zeker dat Molkenboer het ontwerp heeft gemaakt. In 1867 heeft L. Tollenaar de kerk vergroot met een transept en koor. De neobarokke gevel met torens is van 1879 door A. Tollenaar jr. De kerk is in 1940 afgebroken.

LEEUWARDEN ST. DOMINICUS

Eerste steen  juli 1850
Kosten   f. 38.000,-
Bijzonderheden  De kerk is in 1936 buiten gebruik gesteld en in 1980 gesloopt na als garage en pakhuis dienst te hebben gedaan.

WESTWOUD  ST. MARTINUS

Aanbesteding  1849
Aanvang bouw   1849
Inzegening  15 october 1851
Kosten   f. 35.600,-
Aannemer  J.C. van Berkum, Utrecht
Bijzonderheden  De inventaris uit de bouwtijd is nog geheel aanwezig. Er bestaan plannen om de kerk te restaureren.

NOORDWIJKERHOUT ST. VICTOR

Aanbesteding  15 mei 1851
Eerste steen  12 juni 1851
Inzegening  27 januari 1852
Kosten   f. 20.400,-
Aannemer  H. Heuvels, Arnhem
Bijzonderheden In 1897 is de kerk verbouwd door P. Snel. Het torentje is in 1937 afgebroken, waarna een nieuwe vrijstaande toren naast de kerk is gebouwd.

WESTERBLOKKER ST. MICHAEL

Aanbesteding  14 september 1852
Eerste steen  18 october 1852
Inwijding  19 december 1853
Kosten   f. 14.500,-
Aannemer  M.C. van Berkum, Utrecht
Bijzonderheden  Sinds 1974 is het kerkgebouw in gebruik als tapijthal.

ARNHEM  ST. WALBURGIS

Verbouwing   1853 - 1855
Bijzonderheden  Het eerste bestek dateert van 5 november 1853. Op 8 november 1854 stortte de noordelijke toren in. De herstelkosten na de instorting bedroegen f. 36.000,-.

KROMMENIE  ST. PETRUS’ BANDEN

Aanbesteding  23 februari 1853
Eerste steen  1853
Gereed   13 februari 1854
Kosten   f. 22.600,-
Aannemer  P. Quant, Amsterdam
Bijzonderheden  De kerk is verbouwd door C.P.W. Dessing in 1898 met een nieuw transept en koor. De kerk is afgebroken in 1955.

’T VELD  ST. MARTINUS

Aanbesteding  1853
Gereed   1854
Kosten   f. 32.400,-
Aannemer  H. Heuvels, Arnhem
Bijzonderheden  De kerk is recentelijk gerestaureerd. Ook de pastorie is ontworpen door Molkenboer en dateert uit 1863.

AMSTERDAM  ST. CATAHARINA

Verbouwing
Aanbesteding  4 februari 1853
Inwijding  9 augustus 1854
Kosten   f. 29.945,-
Aannemer  L. van Bakel, Amsterdam
Bijzonderheden  De kerk is waarschijnlijk gebouwd door T.F. Suys. Het gebouw werd in 1933 gesloten en later afgebroken.

AMSTERDAM  ONBEVLEKT HART VAN MARIA (REDEMPTORISTENKERK)

Aanbesteding  25 november 1852
Eerste steen  18 april 1853
Inzegening  19 november 1854
Kosten   f. 94.168,36 (fundering extra f. 13.323,94)
Aannemer  J.C. van Berkum, Utrecht (fundering: J.H. Sebil, Haarlem)

HILVERSUM  ST. VITUS

Verbouwing
Aanbesteding  2 december 1853
Gereed   1854
Kosten   f. 36.500,-
Aannemer  J. Westers
Bijzonderheden  Molkenboer ontwierp een toren, transept en koor bij een reeds bestaande kerk uit 1784. In 1890 werd de kerk afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe kerk van P. Cuypers.

ROELOFARENDSVEEN ST. PETRUS’ BANDEN

Aanbesteding  7 december 1853
Eerste steen  9 mei 1854
Inwijding  30 juli 1856
Kosten   f. 60.400,-
Aannemer  J. de Koning, Leiden
Bijzonderheden  De kerk is in 1969 afgebroken.

WOGNUM  ST. HIËRONYMUS

Aanbesteding  28 februari 1856
Eerste steen  16 april 1856
Inzegening  20 augustus 1857
Kosten   f. 32.900,-
Aannemer  J. Zeijlemaker, Hoorn
Bijzonderheden  De kerk is in 1972 afgebroken.

PURMEREND  ST. NICOLAAS

Aanbesteding  1855
Eerste steen  25 juni 1856
Inzegening  14 juni 1858
Kosten   f. 59.500,-
Aannemer  W. Lucassen
Bijzonderheden  De kerk is in 1954 afgebroken.

AMSTERDAM  ST. WILLIBRORDUS BINNEN DE VESTE (DE DUIF)

Aanbesteding  10 januari 1857
Eerste steen  28 april 1857
Inzegening  12 december 1857
Kosten   f. 86.500,-
Aannemer  H. Lucassen, Lent (Gdl)
Bijzonderheden  Het gebouw wordt momenteel beheerd door de stichting tot behoud van De Duif.

HELMOND  ST. LAMBERTUS

Aanbesteding  10 september 1856 (later: 11 januari 1858)
Eerste steen  17 april 1857
Gereed   13 october 1860
Kosten   f. 125.308,27
Aannemer  M.H. Verhoecks, Heusden
Bijzonderheden  De kerk is recentelijk gerestaureerd.

SCHOTEN  ST. BAVO

Aanbesteding  26 november 1856
Eerste steen  22 april 1857
Inwijding  25 augustus 1858
Kosten   f. 36.200,-
Aannemer  D. de Koff
Bijzonderheden  In 1890 werd de kerk verbouwd en verrees een nieuwe toren. De kerk werd in 1935 gesloopt.

VLISSINGEN  ST. JACOBUS DE MEERDERE

Aanbesteding  24 maart 1857
Eerste steen  6 juli 1857
Inwijding   28 juli 1858
Kosten   f. 58.000,-
Aannemer  J. de Bors Verdoorn, Ameide (ZH)
Bijzonderheden  De kerk is in 1938 afgebroken.

EGMOND-BINNEN (RINNEGOM) ST. ADALBERTUS

Aanbesteding  1857
Inwijding  1859
Kosten   f. 33.600,-
Bijzonderheden  De kerk is afgebroken.

WARMOND  ST. MATTHIAS

Aanbesteding  28 september 1857
Eerste steen  5 mei 1858
Inwijding  3 augustus 1859
Kosten   f. 35.800,-
Aannemer  J. Kloosterman, Rijswijk
Bijzonderheden  De kerk is enige jaren geleden verbouwd door Van Oerle en Schrama.

GROOTEBROEK ST. JOHANNES DE DOPER

Aanbesteding  zomer 1858
Eerste steen  16 september 1858
Gereed   1860
Kosten   f. 68.055,-
Aannemer  J.B. Hofland, Grootebroek
Bijzonderheden  De kerk is in 1905 verbouwd en uitgebreid door A. Bruning. In 1924 werd de kerk afgebroken.

LIJNDEN  ST. FRANCISCUS VAN SALES

Aanbesteding  23 november 1858
Eerste steen  10 maart 1859
Inwijding  22 mei 1860
Kosten   f. 56.900,- (incl. Hoofddorp St. Johannes de Doper)
Aannemer  H. van Meerendonk, Tilburg
Bijzonderheden  De kerken van Lijnden en Hoofddorp zijn in combinatie aanbesteed.

HOOFDDOPR  ST. JOHANNES DE DOPER

Aanbesteding  22 december 1858
Eerste steen  1859
Inwijding  24 mei 1860
Kosten   Zie: Lijnden St. Franciscus van Sales
Aannemer  Idem

TUITJENHORN  ST. JACOBUS DE MEERDERE

Aanbesteding  20 october 1857
Eerste steen  31 mei 1858
Inwijding  17 augustus 1859
Kosten   f. 48.000,-
Aannemer  W.F. Stoel
Bijzonderheden  De kerk is in 1926 vergroot met zijbeuken.

VOGELENZANG O.L.V. TEN HEMELOPNEMING

Aanbesteding  12 september 1857 (grondwerk), 29 april 1858 (kerk)
Eerste steen  2 september 1858
Inwijding  24 september 1861
Kosten   f. 93.000,- (excl. fundering)
Aannemer  H. Heuvels, Arnhem

RIJPWETERING O.L.V. GEBOORTE

Aanbesteding  11 augustus 1858
Wijding hoeksteen mei 1859
Inwijding  20 september 1860
Kosten   f. 61.500,-
Aannemer  A. Verhoog, Leiden
Bijzonderheden  Molkenboer heeft ook de oude pastorie in 1846 ontworpen, die thans schuin tegenover de kerk is gelegen. De kerk is in 1961 gerestaureerd.

VOLENDAM  ST. VINCENTIUS A PAOLO

Aanbesteding  20 april 1860
Eerste steen  23 juli 1860
Inzegening  1 december 1860
Kosten   f. 28.700,-
Aannemer  B. Trooster, Zwolle
Bijzonderheden  De kerk is diverse malen gerestaureerd. De kerk werd ingrijpend verbouwd door A.C. Bleys.

NOORD-ZIJPE (’T ZAND) O.L.V. VISITATIE

Eerste steen  2 juni 1863
Inwijding  23 december 1863
Kosten   f. 30.000,- (raming)
Bijzonderheden  De steunberen tegen de buitenmuren zijn van latere tijd.

 DEN BURG (TEXEL) ST. JOHANNES DE DOPER

Aanbesteding  25 september 1862
Eerste steen  26 maart 1863
Inzegening  december 1863
Kosten   f. 27.000,-
Aannemer  P. Brugmans, Nieuwe Niedorp
Bijzonderheden  In 1912 is de kerk uitgebreid met een nieuw transept en koor. In 1960 zijn de nieuwe toegangsportalen gebouwd.

HOOGWOUD  ST. JOHANNES DE DOPER

Aanbesteding  1863
Eerste steen  maart 1864
Inwijding  17 juli 1865
Kosten   f. 40.414,30 (raming, excl. toren)
Aannemer  W. Tielens, Raamsdonkveer
Bijzonderheden  De kerk werd gebouwd na de dood van Molkenboer o.l.v. zijn zoon die ook de  toren ontwierp. De kerk is verschillende keren gerestaureerd, o.a. in 1892 door A.C. Bleys, en voor het laatst in 1980.

NIEUW-VENNEP O.L.V. ONBEVLEKT ONTVANGEN

Aanbesteding  30 maart 1865
Eerste steen  14 juni 1865
Inwijding  20 september 1866
Kosten   f. 32.400,-
Aannemer  J.H. Middelkoop, Alkmaar

OUD-BEIERLAND ST. ANTONIUS VAN PADUA

Eerste steen  8 maart 1866
Inzegening  21 november 1866
Kosten   f. 15.300,-

ZUID-ZIJPE (BURGERBRUG) O.L.V. GEBOORTE

Aanbesteding  6 maart 1866
Eerste steen  6 juni 1866
Inwijding  23 december 1866
Kosten   f. 18.344,-
Aannemers  Gebr. Janzen, Nieuwediep

ST. HIPPOLYTUSHOEF ST. HIPPOLYTUS

Aanbesteding  26 februari 1867
Eerste steen  26 april 1867
Inzegening  4 december 1867
Kosten   f. 16.000,-
 

BIJLAGE 1
 

GESLACHTSLIJST
 

MOLKENBOER, Theodorus (1742-1801)

Bernardus (1770-1844)                                                                  Arnoldus (1775-…..) x Eva van der Valk

Theodorus (1801-1872)                                                             Theodorus (1796-1863)

Wilhelmus B.G. (1844-1915)      6 dochters

Anton (1872-1960)    Theo (1871-1920)    etc.

Ik mocht bovenstaande lijst ontvangen van de familie De Nie – Molkenboer uit Utrecht. De lijst is opgesteld door Wilhelmus B.G. Molkenboer, de directeur van de Rijksnormaalschool te Amsterdam. Hij vermeldt als voetnoot bij Theodorus (1796-1863): “Dit was de bekende architect die in Nederland ongeveer 70 R.K. kerken bouwde”. De lijst heb ik kunnen aanvullen met gegevens van mr. A.E. Kaag uit Berkel en Rodenrijs.
De in de lijst vermelde Bernardus was meester-koekenbakker en hij speelde wellicht een rol bij het toekennen van de opdracht voor de Hartebrugkerk te Leiden.
Theo Molkenboer, de architect, trouwde op 22 april 1822 met Mathilde Kaag (1793-1871) te Oegstgeest. Zij kregen acht kinderen. Uit gegevens van het gemeentearchief van Leiden blijkt dat Theo Molkenboer woonachtig was op Oude Rijn nr. 141 (thans Oude Rijn 66) en in GAL 49 staat vermeld dat hij op 7 april werd ingeschreven als ordinair lid van het register der leden en aankweekelingen bij het genootschap Mathesis Scientiarum Genitrix, dat werd opgericht in 1785 en een soort van MTS was, gevestigd op de Pieterskerkgracht te Leiden. Theo bedankt als lid op 8 januari 1841.
 

BIJLAGE 8

BELANGRIJKSTE INVENTARISSTUKKEN VAN DE KERK VAN OVERVEEN

HOOGALTAAR

Het hoogaltaar met de levensgrote beelden dateert uit 1856 en is afkomstig uit het atelier van L. Veneman uit ’’s-Hertogenbosch . Het retabel reikte met het er bovenop geplaatste kruis tot in de gewelven. Dit kruis is tezamen met de beide engelen, die zich aan weerszijden van het tabernakel bevonden, verdwenen. Het altaar was oorspronkelijk bruin geschilderd, doch is later wit gemarmerd . Boven het tabernakel prijkt het beeld van Maria, terwijl we op een lager plan ter weerszijden hiervan de beelden van Petrus en Paulus herkennen.
De zijaltaren, die waren gewijd aan de HH. Bavo en Joseph, zijn met de restauratie van 1970 verdwenen, tezamen met de preekstoel, die ook door Veneman, in 1858, werd vervaardigd . De kosten van de altaren bedroegen f. 5.700,- en voor de preekstoel f. 1.800,- .

DOOPVONT

De zware, 3,50m hoge geelkoperen doopvont is van de hand van Jan H. Brom (1860-1915). Brom die werkzaam was in Utrecht, heeft de Overveense vont in 1887-88 vervaardigd naar het voorbeeld van de 16de-eeuwse vont van de St. Walburgiskerk te Zutphen. Deze vont is in 1527 gemaakt door Gillis van Eynde uit Mechelen .

ORGEL

Het orgel is van L. Ypma uit Alkmaar en dateert van 1866. De orgelkast is vervaardigd door L. Veneman .

RAMEN

De zeven smalle ramen in het koor en de absis zijn vervaardigd door Fr. Baudri in 1862. De ramen in het schip dateren van 1880 en zijn van de hand van H. Geuer .
Hoewel men in bouwkundig opzicht weinig kennis bezat van de middeleeuwen, is de toenmalige gewoonte van schenkers om zich te laten vereeuwigen ook in Overveen goed begrepen, getuige de afbeeldingen van de patroonheiligen van de schenkers in de ramen. Later wordt ook in de kruisweg een schenker afgebeeld en zien we verwijzingen naar de schenkers in de tekst op de doopvont.

EPITAAF

Het zandstenen epitaaf van de bouwheer pastoor G. Schoonderbeek is in 1887 vervaardigd door Frans Stracké. Jan Brom, een neef van pastoor Ten Brink, maakte hieronder een koperen plaat met opschrift. Het geheel bevindt zich thans tegen de noordwand van het transept .

BEELDEN

De vier marmeren beelden van het H. Hart, St. Antonius, St. Joseph en de H. Maria, alsmede de kolossale baldakijns, zijn uit het atelier van W. Mengelberg .

RESTAURATIES EN WIJZIGINGEN

Zoals reeds in de tekst is vermeld, is de kerk van Overveen in de loop der jaren enige malen onderhanden genomen. De meest ingrijpende bouwkundige wijziging vond plaats in 1887 toen de architect A. Tepe twee kapellen ter weerszijden van de toren liet bouwen . De noordelijke kapel werd doopkapel, de andere een nieuw ingangsportaal.
De pinakels aan de kerk zijn in latere jaren alle van de toren en de westgevel verdwenen en de luchtbogen op de toren hebben plaats moeten maken voor ingezwenkte steunberen.
In 1970 vond een ingrijpende reorganisatie van het interieur plaats. De preekstoel, de biechtstoelen, alsook de zijaltaren verdwenen. De kruiswegstaties, van de hand van A. Brouwer uit Hilversum, die op de zijmuren waren geschilderd, werden weggemetseld , zodat de muren onder de ramen weer vlak werden zoals oorspronkelijk. Ten slotte werd toen ook het raam in de toren dichtgemetseld.
 

BIBLIOGRAFIE

Aa, A.J. van de   Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, VIII, Gorinchem 1846

Agt, J.J.W. van   Het tijdperk der waterstaatskerken, in: tentoonstellingscatalogus Utrecht Centraal Museum, Honderd jaar religieuze kunst in Nederland 1853-1953, Utrecht 1953

Alberdingk Thijm, J.A.  “Eene bouwlootse der XIX eeuw”, in: De Dietsche Warande 1 (1855), 276-279

Id.    “Lieve Vrouwekerk te Amsterdam”, in: De Dietsche Warande 1 (1855), 297-298

Id.    “De laarzen van den heer bouwmeester”, in: De Dietsche Warande 1 (1855), 469-472

Id.    “Een woord over moderne gotiek”, in: De Dietsche Warande 1 (1855), 472-474

Id.    “Nieuwe bouwwerken, -Herstellingen en –Voltooyingen in Nederland, parochiekerk In Vlissingen”, in: De Dietsche Warande III (1857), 125-127

Id.    De heilige linie, proeve over de Oostwaardsche richting van kerk en autaar als hoofdbeginsel der Kerkelijke bouwkunst, Amsterdam 1858

Id.    “Willen wij alleen de gotiek?”, in: De Dietsche Warande 4 (1858), 171-180

Id.    “Nieuwe bouwwerken, -Voltooyingen en -Herstellingen in het koninkrijk der Nederlanden, parochiekerk van Vogelenzang”, in: De Dietsche Warande IV (1858), 483-491

Id.    Van “Plaesteraars”, in: De Dietsche Warande deel 5(1860), 1-15;

Ambachtsheer, H.F. &  Goddeloze kerken, T.H. Delft, afdeling bouwkunde 1979
Booy, R.J. de

Baesjou, P.C.N. e.a.  Leiden 1860-1960, Leiden

Boot, L.H.   Beschrijving van het ontstaan en de bouw van de St. Josephkerk te Zwolle, Amersfoort 1979 (niet gepubliceerd)

Brieffies, W.F.M.  De geschiedenis van de parochie St. Nicolaas te Lutjebroek, 1977

Brom, G.   Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland, Leiden 1933

Brom, G.   Romantiek en katholicisme in Nederland, deel I Groningen – Den Haag 1926

Brons, H.   De Hooglandse Kerk, restauratieverslag, Leiden 1982 (niet gepubliceerd)

Burg, V.A.M. van der  “De geschiedenis van de R.K. parochie van de H. Joseph te Zeist (1842-1900)”, in: Bulletin van de Van de Poll Stichting voor de Zeister geschiedenis, jaargang 9, maart 1973, nr. 1

Burgers, R.   De statie der paters Minderbroeders te Bolsward, Groningen 1924

Buijks, H.   “Hoe kerkelijk Noord-Brabant onder dak kwam”, in: Naar gothieken kunstzin, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum 1979

Bijvoet, J.A.M.   Historia 1697-1956, bij het eeuwfeest van de parochiekerk, Haarlem 1956

Commissaris, A.C.J.  Geschiedenis van de emancipatie der katholieken in Nederland van 1795 tot 1903, Groningen 1931

Clark, K.   The gothic revival, an essay in the history of taste, Great Britain 1975,

Clemens, Th.H.J.   “De Omwenteling van 1795”, in: Spiegel Historiael, XIII (1978)

Dumas, Ch.   Waar Hagenaars kerkten, ’s-Gravenhage 1983

Fluit, Th.P.M. van der  De Waterstaat en de kerkbouw in Noord-Holland in de 19de eeuw, in: Opening van zaken, zes historische opstellen bij gelegenheid van de opening van het nieuwe Rijksarchief in Noord-Holland, Haarlem 1983

Frenken, A.M. pr.  De parochiekerk van St. Lambertus te Helmond, z.j.

“’t Gat in de Biltstraat, neogotiek in Nederland, in: Forum XXIV, Hilversum 1973

Germann, G.   Gothic revival in Europe and Britain: sources, influences and ideas, London 1972.

De Godsdienstvriend, tijdschrift voor Roomsch-Catholijken, Amsterdam 1818-1869

Haaren, J. van   “De situatie van de neo-gothiek in Nederland”, in: tent.cat. Utrecht Centraal Museum, Honderd jaar religieuze kunst in Nederland 1853-1953, Utrecht 1953

Hekker, R.C.     De Nederlandse bouwkunst in het begin van de negentiende eeuw, Bulletin K.N.O.B., serie 6,4 (1951)

Heyden, L.J. van de   Geschiedenis van het katholiek Hilversum, z.j.

Hoogveld, C.J.W.A.   Een monument van de katholieke emancipatie. De Redemptoristenkerk het “Onbevlekt Hart van Maria”, Amsterdam 1983, doctoraalscriptie

Juffermans, P.J.A.   Van een eeuwfeest dat stichtingsfeest werd!, De St. Petruskerk te Leiden 1836-1936, Leiden 1936

Kalf, J.     De katholieke kerken in Nederland, dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubilering en versiering beschreven en afgebeeld. Uitgegeven onder leiding van dr. P.J.H. Cuypers, Amsterdam 1906

Keuzenkamp, W.A.    “Neo-gotiek, lege imitatie of levende uitdrukkingsvorm”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 8 (1957), 221-240

Kolks, Z.   “De Michael in Zwolle, een bijzondere waterstaatskerk”, in: Heemschut, april/mei 1983 nr. 4/5

Kuiper, H.A.M.    Geschiedenis wordt door mensen gemaakt …., 1977, (niet gepubliceerd)

Kuyper, W.   “De inspiratie van de Duif”, in: Jaarboek Amstelodamum, Amsterdam 1979

Lambermond, C.H.   De Dominicanenkerken te Leeuwarden, Nijmegen 1937

Leeuwen, W. van   “Tot sieraad der omgeving. Het kerkelijk bouwbedrijf van 1795 tot 1913”in: tentoonstellingscatalogus Noord-Brabants Museum, Den Bosch Naar Gothieken Kunstzin, Kerkelijke Kunst en Cultuur in Noord-Brabant in de negentiende eeuw, ’s-Hertogenbosch 1979

Loos, J.C. van der  “Bleiswijk”, in: Bijdr. Haarlem, deel 39 (1920), 393-420

Meijer, G.A.    De paters Dominicanen te Utrecht, Utercht 1916

Moerman, J.W.L.   “De Mon-Pèrekerk veranderde in een zwembad”, in: Leids jaarboekje 1980

Nibbering, J.H.A.  Overveen, Kapel-Statie-Kerk, Bloemendaal 1981

Niekerk, G. van    “Hoe te Overveen de Bisschoppelijke grafkapel tot stand kwam”, in: Bijdr. Haarlem 46

Noordeloos, P.    De restitutie der kerken in den Franschen tijd, Nijmegen 1937

Organ für Christliche Kunst: Organ des christlichen Kunstvereins für Deutschland, Köln 1855

Reichensperger, A.  “Ein Wort in Betreff der modernen Gothik“, in: Organ für Christliche Kunst 5 (1855)

Reith, B.   Honderd jaar kerkbouw in Nederland, Haarlem 1953

Rogier, L.J. &    In vrijheid herboren, Katholiek Nederland 1853-1953, ’s-Gravenhage
Rooy, N. de    1953

Rosenberg, H.P.R.   De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland, ’s-Gravenhage 1972

Id.    “De neogotiek van Cuypers en Tepe”, in: bulletin van de K.N.O.B. 70 (1971)

Rossum, J.J.H. van &  De Sint Walburgiskerk te Arnhem, Arnhem 1978
Rosenberg, H.P.R.

Roy van Zuydewijn, H.J.F. de Amsterdamse bouwkunst 1815-1950, Amsterdam z.j.

Saulenn, J.   St. Matthiaskerk Warmond, 1979, (niet gepubliceerd)

Stadegaard, Th.J.   De geschiedenis van ’t Veld, z.j. (niet gepubliceerd)

Temminck, J.J.    Haarlem vroeger en nu, Bussum 1971, 46

Universiteit en architectuur, ontwerpen ten behoeve van de Leidse universiteit 1600-1900, catalogus prentenkabinet/kunsthistorisch instituut Rijksuniversiteit van Leiden, projectgroep architectuurgeschiedenis 1978-1979, o.l.v. prof. J.J. Terwen

Verwey, G.   Geschiedenis van Nederland, Levensverhaal van zijn bevolking, Brussel 1983

Voets, B.   Bewaar het toevertrouwde pand, Hilversum 1981

Id.    Eenvoud des Harten, het verhaal van de katholieke leefgemeenschap in Vogelenzang, 1983 (gereed voor publicatie)

Id.    Omzien in verwondering, Hoorn 1977

Id.    Rond de grenspaal, 1951

Vreeburg, A.   Warmonds kapel, z.j.

Wely, D. van, ofm  “De Sint Antonius Statie te Leeuwarden voor het herstel der Kerkelijke Hiërarchie”, in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, jaargang 10 1968, Utrecht/Antwerpen

Wijck, H.W.M. van der  “Koning Willem II als bouwheer”, Opus Musivum, Assen 1964

De wijsheid bouwde zich een huis, gedenkschrift bij het eeuwfeest van de Maria Congregatie in Warmond 1843-1943, hoofdstuk V